Dichters moeten niet discussiëren, maar dichten

Weinig grote namen, maar wel een reeks bevlogen dichters en een als Pim Fortuyn uitgedoste cabaretier bevolkten dit jaar de Nacht van de Poëzie. ,,De poëzie is futiel, onmachtig en nutteloos, dat is haar kracht en haar zwakte.''

,,Je hebt kortharige en langharige dichters.'' Een flard van een gesprek, opgevangen in de artiestenfoyer van Vredenburg. Het komt zelden voor dat je zo'n onomstotelijke waarheid hoort verkondigen over poëzie, voor het verstand toch een ongrijpbare zaak. Literaire discussies blijven ook meestal onbeslist. Vorig jaar was er nogal wat te doen over een essay van de langharige Ilja Leonard Pfeijffer, die had beweerd dat onbegrijpelijke poëzie altijd beter is dan makkelijke poëzie. De kortharige Ramsey Nasr nam de handschoen op en schreef dat ,,een goed gedicht in elk geval wordt gekenmerkt door een mate van verstaanbaarheid''.

De Nacht van de Poëzie werd in 2001 geopend door Pfeijffer, met het gedicht Vuurvogel zijn poëtica nog eens krachtig onderstrepend. Wie had er nu gelijk? Nasr, de afsluiter van vorig jaar die afgelopen zaterdagavond als eerste dichter op het Utrechtse festival aantrad, had geen zin om de polemiek voort te zetten. ,,Het is een domme discussie, die uit verveling is aangezwengeld'', zei hij. ,,Er zijn belangrijker zaken in een tijd waarin een fascistische relnicht een verkiezingszege kan halen.'' Hij kreeg applaus, en vervolgde: ,,De poëzie is futiel, onmachtig en nutteloos, dat is haar kracht en haar zwakte.''

Nasr las een aantal liefdesgedichten voor, en vele dichters op deze tweeëntwintigste Nacht van de Poëzie zouden zijn voorbeeld volgen, lonkend naar de Boekenweek. Zoals Elly de Waard (,,het wachten viel mij zwaar/ het wachten op haar''), Erik Menkveld (,,overweldig mij, vertedering,/ als mijn beminde mij bezet'') en Joost Zwagerman. Zwagerman was in 1989 voor het laatst op de Nacht aanwezig, toen als voorman van de dichtersgroep de Maximalen. Hij las zaterdag een gedicht voor uit die tijd, waarvan de regels ,,was je vannacht gedroomd bij mij/ om te dansen op een tango'' zeer actueel bleken. Na de liefdespoëzie schakelde Zwagerman, die ooit in een Zwitserleven-reclame figureerde, over naar een gedicht over een verzekeringsagent. Hij sloot af met een ode aan ,,een van mijn oudste vrienden'', de dichter Rogi Wieg.

Wieg herinnerde ons eraan dat de poëtische inspiratie verwant is aan de waanzin. Hij kwam het podium op in zijn blote bast (,,ik moet het tegenwoordig hebben van mijn uiterlijk''), en vertelde dat hij kortgeleden ternauwernood aan de dood was ontsnapt. De dichter zou meerdere zelfmoordpogingen gedaan hebben, onder andere door zoveel mogelijk bolletjes ijs te eten. ,,Ik ben niet mooi meer, ik ben niet jong meer, ik heb in het gesticht gezeten, mijn vingers staan stijf van de medicijnen, en toch ga ik een blues spelen op de piano'', zei hij. Er volgde een prachtig, diep doorvoeld lied. Daarna las Wieg gedichten over Christus en, met verstikte stem, over zijn dochtertje Hannah. ,,Soms ga ik in het geheim naar de crèche om met haat te spelen'', vertelde hij, ,,maar ze herkent me niet echt.''

Er waren dit jaar niet veel grote namen op het festival. Wel een aantal veelbelovende jonge dichters: Nasr, Menno Wigman en Mark Boog, die het festival om drie uur afsloot. Het publiek (2200 in getal) bleef tot diep in de nacht enthousiast, ook als het onbekende (Frans Kuipers) of onverstaanbare (Nachoem Wijnberg) dichters betrof.

En zelfs op deze Nacht waarde het spook van Pim Fortuyn rond. Youp van 't Hek trad aan in maatpak, saluerend. Bij wijze van entr'acte zong hij enkele liedjes uit zijn theaterprogramma's. Van 't Hek schuwde de grote woorden en grote gevoelens niet, wat prettig contrasteerde met de behoedzaam formulerende dichters. Maar wat goed gezongen wordt klinkt al snel goed, zelfs regels als ,,laten we stoppen met zeuren m'n lief/ en domweg de liefde bedrijven''.