Verliezen als kunst

Er zijn twee trucs, of vaardigheden, hoe je het noemen wilt, die iedereen van boven de twintig onder de knie moet hebben om bij de grote mensen te kunnen horen. Je moet tegen je verlies kunnen, en je moet tegen je winst kunnen. Ik begin met een voorbeeld.

Het was winter, zaterdagavond. Je had een vriendje uitgenodigd om te komen eten. Je moeder had je lievelingstoetje gemaakt. Je vertrouwde dat vriendje niet helemaal, maar het was allemaal meegevallen, en nu kwam het ganzenbord op tafel, met een schaaltje apenootjes. Zo zou het altijd moeten blijven. Dat dacht je niet bewust. Pas veel later herinner je je de kamer, de warmte, het licht van de lamp en alles wat er toen bijhoorde.

Het spel begon. Je vader schudde de dobbelstenen, droog rammelend in de holte van zijn grote handen, en gooide dubbel drie. Potztausend! Meteen in de put. Je had medelijden met je vader, maar het spel moest doorgaan. Dat vriendje had veine, telde meteen op een gans en mocht twee keer zo ver. Jij zelf kreeg tegenslag op tegenslag te verwerken, je had het al zien aankomen. Na twee worpen raakte je ook in de put. Beurt overslaan. Dat vriendje won. Glansrijk. Je lip begon te beven, je vocht ertegen, maar dit was sterker dan jij. Je begon te huilen. Je vriendje zag het aan, met een glimlachje van gluiperige superioriteit. Je ging dat vriendje haten. De tijd geneest alle wonden maar dit litteken is gevoelig gebleven.

Later ga je `aan sport doen', onvermijdelijk. Dammen, schaken, voetballen. Zelden wordt het remise of een gelijkspel, dus winst of verlies. Dat is de bedoeling. Misschien dat ik daardoor geen echte liefhebber van sport ben geworden. Verliezen wil ik niet. Na bijna zeventig jaar oefenen kan ik er nog altijd niet goed tegen, en ik ben bang dat ik het ook niet goed kan verbergen. Winnen is leuk, fijn, hoe je het wilt noemen, maar om daarvan in extase te raken nee. Zo'n openbare uitbarsting van triomf vind ik gênant, en het is vervelend voor de verliezer. Ook al wordt niemand lichamelijk een haar gekrenkt, het blijft een in het stof bijten, en als het erg is, een virtueel bloedbad. Nico Scheepmaker heeft er een stukje over geschreven. De thuisclub staat voor, met negen-twee. Het publiek begint te schreeuwen: Tien! Tien! Ze willen meer, ze willen niet meer eenvoudig de overwinning; ze kunnen niet wachten tot het vijandelijk elftal ingemaakt, begraven, in de grond gestampt is. Bloeddorst. Je weet niet wat erger is: de ene partij zo verschrikkelijk te zien verliezen, of er getuige van te moeten zijn dat de andere zo onbeschaamd wint en aan het brullen slaat.

Het beste zou het zijn als, na een spannend wisselen van de kansen, iedere wedstrijd in een gelijkspel eindigde. Als één partij de sterkste is, moet er van bovenaf worden ingegrepen. De sterkste moet worden verplicht niet te winnen, wat wil zeggen dat hij de tegenstander half moet laten winnen. Dat heeft twee bezwaren. Weinig is zo vernederend als het besef dat wie dan ook je heeft laten winnen. Zo word je pas goed ingepeperd dat je de zwakkere bent. Door iemand te laten winnen geef je hem de geraffineerdste genadeklap. Ten tweede ontneemt het verplichte gelijkspel de wedstrijd zijn spanning, en daarom is het nu juist begonnen.

Dan zijn er nog twee andere oplossingen.

1. De verliezer laat weten dat hij blij is met het resultaat. Op de Olympische Spelen hebben we een schaatser gehad die een zilveren medaille had gekregen en blij was dat zijn concurrent de gouden had gewonnen. Hij had zich verheugd in de superioriteit van de ander. Jan Mulder heeft er in de Volkskrant een stukje over geschreven. Moest hij dat geloven, ja of nee? In het eerste geval was de gevoelswereld van deze sportman hem vreemd; in het tweede hadden we hier te doen met een vorm van defensieve schijnheiligheid. Mulder gebruikte andere woorden; zo noem ik het. Het gaat terug tot de Britse opvatting van sportiviteit, samengevat in het gebod May the best man win. Manifeste onzin. Wie zich het gebit van de Britse voetballer Nobby Stiles herinnert, beseft wat Britse sportiviteit eigenlijk is. Er is nog zo'n uitdrukking: Never kick a man when he's down. Vooral de Italianen begrijpen daar niets van. Juist dan! Dat is de beste gelegenheid. (Zie Luigi Barzini, The Italians.)

2. De verliezer buit zijn gebrek uit. Het beste voorbeeld is de tennisser John McEnroe. Hij vloekte, schreeuwde, sloeg zijn racket kapot, maakte alles stuk wat hij in de buurt had. Kortom, hij maakte van zijn verlies een performance. Dat is modern. Die man, zegt het publiek, is eerlijk; die kan recht voor zijn raap verliezen. Op den duur gaan ze naar McEnroe kijken om hem te zien verliezen. Hij wordt toegejuicht om het kabaal dat hij maakt. En misschien – dat zullen we nooit zeker weten – is hij daar zelf ook wel tevreden mee.

Ik dwaal af. Je gaat de wedstrijd aan of je doet het niet. Existentiële keuze. Doe je het wel, dan neem je het risico dat je verliest en je toont op een of andere manier dat je daar niet tegen bestand bent. Huilen. Waarschijnlijk doe je het wrede publiek daarmee nog het grootste plezier. Het gaat je uitlachen, treiteren, wil je nog harder aan het huilen maken. Je roept: ik huil helemaal niet! Meer pesten volgt. Zo maak je jezelf pas goed onvergetelijk.

Dit alles naar aanleiding van het lijsttrekkersdebat.