Seba's schatten

De Thesaurus van Albertus Seba, een achttiende-eeuwse geïllustreerde catalogus van naturaliën, verscheen onlangs in een facsimile-uitgave. Het koloniale Nederland speelde een belangrijke rol bij de samenstelling van natuur- en curiosakabinetten.

Drie dansende putti begeleid door een panfluitspelende faun en een bosnimf die de tamboerijn beroert, tezamen op ongeveer veertig vierkante centimeter. Ziedaar het geschenk dat de stad Amsterdam eind vorig jaar aanbood aan het Amsterdams Historisch Museum (AHM), dat zijn 75-jarig bestaan vierde. De voorstelling werd aan het eind van de 17de eeuw gegraveerd in een parelmoeren schelp door Cornelis Bellekin, destijds de beroemdste parelmoerbewerker van Nederland.

Driehonderd jaar geleden was ditzelfde kostbare object ook al in een Amsterdams museum te zien en wel in het kunst- en naturaliakabinet van de apotheker Albertus Seba (1665-1736). Maar anders dan het AHM was deze collectie niet openbaar en ook zou hij niet voor het nageslacht bewaard blijven. Toch is de verzameling nog te bezoeken en wel op papier. Seba was een paar jaar voor zijn dood aan een ambitieus programma begonnen: een grote geïllustreerde catalogus van zijn collectie. Hij tekende een contract met twee uitgevers voor de publicatie van een catalogus met 446 platen, een onderneming waarmee zeer veel schrijf-, teken- en graveertalent en geld was gemoeid. Er werkten ten minste dertien kunstenaars aan mee, zelf schreef hij de teksten. Het eerste deel van deze Locupletissimi rerum naturalium thesauri descriptio (kortweg Thesaurus) verscheen in 1734, het volgende in 1735, de laatste twee zouden, lang na Seba's dood, pas in 1758 en 1765 uitkomen. Er kwamen twee edities uit: een met een Latijns en Franse tekst en een met een Latijns en Nederlandse tekst. Van deze vierdelige catalogus is nu een indrukwekkende facsimile-editie gemaakt in één band.

Seba, een immigrant uit Oost-Friesland, had zich grote faam verworven met zijn verzameling. Enkele kamers in zijn huis, tegenwoordig Haarlemmerstraat 110, stonden boordevol wondere zaken uit de hele wereld. Lange rijen glazen potten met slangen en hagedissen, kikkers, padden en menselijke misgeboorten op sterk water, kasten vol opgezette vogels, laden met gesteenten en met honderden keurig vastgepinde torren, spinnen en vlinders en boeken vol gedroogde planten.

netwerk

Seba had zijn verzameling opgebouwd, door aankoop, ruil en schenking. Hiervoor stond hem een uitgebreid netwerk ter beschikking van apothekers, artsen, drogisten en andere verzamelaars in Europa, maar ook van lager personeel van de VOC en de WIC die bij terugkeer hun meegebrachte zeldzaamheden aan hem verkochten. Seba stond hiermee in een traditie van Nederlandse verzamelende burgers, die ruim honderd jaar eerder begonnen was. Deze `liefhebbers' legden zich toe op specimina uit de natuur, op antiquiteiten, op etnografica, op munten en penningen, op schilderijen, op prenten en tekeningen, of, wanneer hun geld, ambitie en huis groot genoeg waren, op alles tegelijk. Het was geen wonder dat Seba, als apotheker zich concentreerde op naturalia, met een sterke voorkeur voor reptielen, insecten en `zeegewaschen'.

Verzamelingen als die van Seba hebben de afgelopen vijftien jaar sterk in de belangstelling gestaan van wetenschapshistorici en kunsthistorici. Daarbij bleek hoe belangrijk Nederland voor dit verschijnsel is geweest. Amsterdam en enkele andere steden speelden een cruciale rol in de kunstproductie en de kunstdistributie en bovendien werden hier uit alle windstreken curiosa aangevoerd; gedroogde planten, geprepareerde dieren en etnografica. Typisch voor Nederland was ook dat het hier niet de adel was die de toon aangaf, maar de stedelijke burgerij.

Ook is meer duidelijkheid ontstaan in de motieven van verzamelaars en in hun manier van rangschikken. Al heeft het begrip `curiositeit' of `rariteit' een wat brave connotatie gekregen, het verzamelen gold destijds als een serieuze onderneming waarbij motieven als nieuwsgierigheid, eer, godsvrucht en commercieel belang een rol speelden. Men verzamelde aanvankelijk alles wat `curieus' was, zowel uit het domein van de natuur als uit dat van de kunst. Verbazing over de veelvormigheid van de Schepping, bewondering voor de kwaliteiten van een kunstenaar en bovendien de verrukking wanneer die twee samengingen of tegen elkaar opboden stonden aan de basis van elke verzameling. De privéverzameling van Seba kon alleen op afspraak bezichtigd worden. Maar wie er kwam behoorde tot de elite van de samenleving: medeverzamelaars, wetenschappelijke onderzoekers en vorsten die zelf een collectie wilden aanleggen. Hierdoor bood deze liefhebberij ook de apotheker de mogelijkheid sociaal prestige te verwerven.

Verzamelingen konden ook een vorm van investering zijn. Vaak al voor de dood van de eigenaar werd de zaak verkocht. Seba zelf bijvoorbeeld had al in 1716 op handige wijze zijn collectie voor de kapitale som van 17.000 gulden weten te verkopen aan tsaar Peter de Grote, die het tot een van de elementaire onderdelen van zijn nieuw gebouwde Kunstkamera in Sint Petersburg maakte. Daar was in ook al een andere collectie naar overgebracht, die van de Amsterdamse arts Frederik Ruysch, beroemd om zijn levensechte preparaten van mens en dier. Seba begon onmiddellijk met de aanleg van een tweede collectie.

Een probleem bij alle verzamelingen is de ordening. Ook de liefhebbers uit de 17de eeuw kampten daarmee. Hoe moest men een onafzienbare hoeveelheid heterogene objecten opstellen? Geografisch? Naar materiaal? Historisch? Moest men kunst en natuur scheiden, of juist subtiel in elkaar laten overgaan? Elke verzamelaar deed het op zijn eigen wijze. Een object kon bij verschillende verzamelaars op een hele andere plaats terechtkomen. Een Romeinse munt, om maar wat te noemen, was bij de een ingepast in een chronologische `suite' van Romeinse keizers in de afdeling geschiedenis. Dezelfde munt kon bij een ander die een indeling op materiaal had weer bij de metalen liggen. Daar zien we bij wijze van spreken ook een slagtand van een olifant in de nabijheid van een kunstzinnig gefabriceerde ivoren beeldje staan. Een antiquarisch ingestelde verzamelaar legde die munt weer bij Romeinse grafvondsten. Door de differentiatie in vakgebieden, die inzette in de achttiende eeuw en het ontstaan van gespecialiseerde musea vanaf de negentiende eeuw heeft elk object tegenwoordig zijn vaste plaats. Soort bij soort moet een moderne uitdrukking zijn en een vermenging zoals die in Seba's tijd gewoon was, wordt al snel opgevat als surrealistische gekkigheid.

Er trad ook een kwantitatief ordeningsprobleem op, in de eerste plaats in het domein van de natuur. De toevloed van plant- en diersoorten uit de Oost, de West en uit Afrika, stelden de verzamelaars in toenemende mate voor problemen: ze kregen zaken in handen die noch in de bijbel noch bij de klassieke auteurs voorkwamen en het werden er bovendien steeds meer. Nieuwe soorten doken op, nieuwe namen moesten verzonnen worden. Natuuronderzoekers hebben keer op keer nieuwe classificatiesystemen ontworpen. In de optimistische mening dat met 500 planten wel zo'n beetje de hele florale schepping in kaart hadden gebracht, kon men in de zestiende eeuw nog een ordening maken naar gebruik (medicinaal, als verfstof, als cosmetica of geurstof etc.) of zelfs volgens het alfabet. Maar met 3.000, 5.000 of meer werd dat moeilijker, al overzag men de werkelijke schaal van de biodiversiteit nog lang niet. Zelfs Linnaeus meende dat er ongeveer 10.000 verschillende soorten planten en dieren bestonden (in werkelijkheid zijn het er 1,5 miljoen). Linnaeus' systeem heeft ook zijn beperkingen maar heeft het, voortdurend aangepast aan de nieuwste inzichten, wel al bijna drie eeuwen volgehouden.

Albertus Seba had zijn verzameling geordend naar de afzonderlijke domeinen waarin de natuur was onderverdeeld, dieren, planten en gesteenten. Daarbinnen waren de soorten weer gegroepeerd op morfologische criteria. Zijn opstelling was in de geest van de tijd op een artistieke, esthetische wijze geordend, waarbij kleur, maat en symmetrie de bepalende principes waren.

De eerste twee delen van Seba's Thesaurus zijn vooral gewijd aan zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën, met hier en daar nog wat vlinders, spinnen, sprinkhanen en schorpioenen daartussen. In deel drie treft men vooral vissen, weekdieren, schaaldieren, wormen, sponzen en algen aan. Vooral het tekstgedeelte over de vissen, geschreven door de briljante jonge Zweedse vissenkundige Artedi, jammerlijk verdronken in een van de Amsterdamse grachten na een bezoek aan Seba, geldt bij kenners nog steeds als uitmuntend. Deel vier tenslotte behandelt insecten, mineralen en fossielen. De afbeeldingen zijn stuk voor stuk de moeite waard en, in deze gekleurde facsimile, een lust voor het biologische en esthetische oog.

Vallen Seba's activiteiten onder wetenschap? Dat hangt af van hoe men die activiteiten van toen, nu omschrijft. En bovendien: wat verstond men er destijds onder? Een professoraat aan een universiteit destijds betekent nog niet dat men (in moderne ogen) wetenschap bedreef. En omgekeerd hebben talloze tijdgenoten van Seba zonder aan een universiteit verbonden te zijn, volgens moderne opvattingen de wetenschap wel degelijk vooruitgeholpen.

Maar het probleem bij Seba is niet relevant. Hij was weliswaar lid van wetenschappelijke academies zoals de Royal Society en de Weense Leopoldina, hij zag zichzelf toch in de eerste plaats als een `liefhebber', een `amateur'. Wel moet hij hebben ingezien dat er op het gebied van de natuurwetenschappen veel veranderde. Dat blijkt uit zijn optimistische voorwoord, een lofzang op de moderne natuurwetenschappen. Seba bejubelt de microscoop en de luchtpomp, er zijn nieuwe ontdekkingen, er worden wetenschappelijke waarnemingen verricht op verre reizen, de onderzoekers corresponderen op een vruchtbare wijze, er worden geleerde genootschappen opgericht en er verschijnen belangrijke boeken. Hoeveel vooruitgang Seba ook ziet, zijn denken staat in de fysiotheologische traditie, waarin de natuur wordt opgevat als een door God geschapen geheel waarin alles zijn vooropgezet nut heeft. Ook hecht Seba nog sterk aan de autoriteit van de klassieke auteurs.

Seba's collectie heeft toch in moderne zin wel degelijk zijn wetenschappelijke waarde bewezen. Toen Carolus Linnaeus in 1735 in Nederland arriveerde, snelde hij onmiddellijk naar de Amsterdamse Haarlemmerstraat om Seba's schatten te bestuderen. Universiteitsverzamelingen en natuurhistorische musea bestonden nog niet en een collectie als deze was voor hem een onderzoekcentrum van de eerste orde. In zijn Systema Naturae van 1735 komen 549 soorten voor die hij bij Seba had gezien. Ook later, tot in de 19de eeuw heeft men naar Seba's Thesaurus verwezen.

ereplaats

Seba stond aan het eind van een traditie. Dat Linnaeus bij hem aan de deur klopte mag bijna symbolisch heten. Bij Seba ging het bij het verzamelen nog om het uitzonderlijke, het wonderbaarlijke, om datgene wat zeldzaam was. Wat van verre kwam, of merkwaardig gevormd kreeg een ereplaats. Dan is er de esthetische aanpak. Zijn fraaie arrangementen van schelpen en vlinders staan in een traditie die dan al uit de tijd raakte en moest wijken voor een zakelijker, meer documentaire rangschikking. Er is nog een derde element dat uit de mode raakt. Dieren werden bij Seba vaak opgesteld en dus ook afgebeeld in een verhalende pose. Een slang hapt naar een muis, een vogel vangt een spin. Daarbij komt nog dat men in de ogen van aap of buideldier een menselijke blik ontwaart. Toch is er al een duidelijk verschil tussen de vroege en de late delen van zijn catalogus. Juist die esthetische wijze van afbeelden komt in de latere delen niet meer voor.

Na Seba's dood in 1736 volgde zijn schoonzoon Roeland Willem van Homrich hem op. Die liet in 1752 de tweede collectie van zijn schoonvader veilen. Hoe groot en veelzijdig ook deze verzameling was blijkt uit de opbrengst: 24.440 gulden. Restanten van deze destijds zo beroemde collectie bevinden zich nog in het Zoölogisch instituut van Sint Petersburg, in het Museum van Natuurlijke Historie in Stockholm, in het British Museum te Londen en in het Zoölogisch museum in Amsterdam. Die verspreide schelpen zijn daar alleen voor de specialist te bestuderen. Ze dienen helaas niet meer om iets van de vroegere fascinatie voor de natuur te demonstreren. Maar deze heruitgave van de Thesaurus vergoedt dat gemis. In Seba's tijd werd de natuur wel opgevat als de zichtbare openbaring. Naast de tekstuele openbaring kon men Gods grootheid aanschouwen in de natuur. Een verzameling van naturalia was daar een uittreksel van en de catalogus daarvan maakte er op zijn beurt weer een tastbaar boek van. En men hoeft niet gelovig te zijn om zich door de ogen van de verzamelaar te verbazen over de veelvormigheid van de natuur.

De facsimile editie is een prachtig, loodzwaar boek geworden. Voor deze uitgave koos men een mooi ingekleurd exemplaar uit de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Alle 446 illustraties zijn overgenomen. De Engelstalige inleidingen op Seba's leven, op het verschijnsel verzamelen, op geïllustreerde catalogi, op Seba's verzameling zijn kort en zakelijk. Zoveel mogelijk voorgestelde planten en dieren zijn geïdentificeerd en hebben hun huidige wetenschappelijke naam gekregen. Daarbij doken verschillende identificatieproblemen op. De prenten werden vrijwel alle gemaakt naar opgezette dieren, waarbij huid en ledematen nogal eens een incorrecte vorm hadden gekregen. Bovendien bestaat er een kleurprobleem. De uitgave van de Thesaurus was in zwart-wit. Eigenaars konden het naar hun eigen wensen laten inkleuren en hun eigen inkleurder of `afsetter' kiezen en die waren niet per definitie op de hoogte van de juiste kleur van al die dieren, planten en stenen. Vandaar dat het ene ingekleurde exemplaar afwijkt van het andere en de hedendaagse taxonoom er moeite mee heeft. Tenslotte kan de speurtocht van de taxonoom vruchteloos zijn omdat een door Seba beschreven plant of dier inmiddels is uitgestorven.

Een boek om lang in te bladeren. De aanwinst van het Amsterdams Historisch Museum staat er ook in: in deel 3 van de Thesaurus op plaat 85 no 9., temidden van 22 andere bewerkte parelmoerschelpen. Een subcollectie die alleen al een vermogen waard was.

Albertus Seba, Cabinet of Natural Curiosities. The Complete Plates in Colour, 1734-1765. Uitgeverij Taschen, 588 blz. €150,–