Nederland moet terug naar zijn wortels

De analyse van Paul Scheffer is niet radicaal genoeg. Hij gaat voorbij aan de diepere oorzaken van de politieke en maatschappelijke malaise en verzandt zelf in nikserigheid, vindt Roel Kuiper.

Is er geen oorzaak? Dat is de vraag die bij mij achterblijft na het lezen van `De verloren jaren van Kok' van Paul Scheffer. De verwaarlozing van de publieke ruimte heeft het hedendaagse populisme gebaard, zegt hij. De onmacht van een slappe generatie politici slaat over op de burger die zich nukkig afwendt van de politiek. Maar dit algehele gevoel van onmacht en onvermogen leidt ook bij Scheffer uiteindelijk tot een theatraal neergezette vorm van nikserigheid: hij gaat niet stemmen op 15 mei.

Ik herken mij in de beschrijving van de malaise, maar vind de analyse niet radicaal genoeg. Hoe komt het dat het volk leiders achternaloopt die geen leiders zijn? Hoe komt het dat politiek hoogstens `infotainment' is geworden en politici geen vertrouwen meer inboezemen? Waarom groeit er een zwevend en dus richtingloos electoraat? Is er geen oorzaak?

Die is er inderdaad. De kiem voor deze algehele politieke verzwakking is gelegd in de jaren zestig. Toen is de `permissive society' binnengehaald die per definitie richtingloos is. Vervolgens hebben nieuwe elites, die de verzuilingsstrategieën met de mond verfoeiden, deze geperfectioneerd. En ten slotte was er het stilzwijgende akkoord om de bronnen, waardoor de Nederlandse samenleving haar karakter kreeg, zorgvuldig dicht te stoppen.

De culturele revolutie van de jaren zestig heeft in geen westers land zo de toon gezet als in Nederland. In Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk bleef het een onderstroom, die er niet in slaagde het politieke en sociale klimaat van de hele samenleving blijvend te veranderen. Het bleef er beperkt tot de sfeer van kunst en cultuur of leidde tot vormen van (militant) politiek extremisme, dat uiteindelijk het bestaande politieke systeem niet opblies maar resoluut maakte.

In Nederland was dat anders. Hier ging de politieke elite om, vanuit de oppervlakkige constatering dat de verwende geest van de protestgeneratie de tijdgeest was, die men niet kon weerstaan. Permissiviteit betekende dat het individuele belang of welzijn ging regeren over het algemeen belang. Autoriteit werd ontmanteld, het gedogen van allerlei praktijken toegestaan, een losse seksuele moraal mocht niet weersproken worden en de overheid was er om `leuke dingen' voor de mensen te doen. De `alles-moet-kunnen'-mentaliteit heeft een politieke cultuur gebaard, die iedere vorm van daadkracht, doorzettingsvermogen en moreel leiderschap onder verdenking stelde.

Hiermee schrijf ik de bijdrage van de jaren zestig niet af: de verbeterde positie van vrouwen, de aandacht voor zorg en onderwijs, de aandacht voor het milieu. Wel wijs ik erop dat de hedendaagse Nederlandse politieke cultuur berust op een cultuur van permissiviteit. Het vrijheid-blijheid-liberalisme van de VVD, het naïeve gedoogbeleid van de PvdA en zelfs de compromispolitiek van het CDA hebben hier hun wortels. Het gebrek aan geestelijke weerstand tegen de protestgeneratie van de jaren zestig is de voedingsbodem voor het gebrek aan weerstand tegen de protestgeneratie van nu. De politiek heeft toen de slappe knieën tot politieke evenwichtskunst verheven.

Waarom gingen die leiders zo snel en zo gemakkelijk om? Wat was dit voor een geest van toegeven, waardoor men geen alternatief zag dan achter de behoeften van de kiezers aan te lopen? Afgezien van het feit dat in het kleinschalige Nederland excentrische geluiden vrij snel doordringen in het centrum van de macht, is er op iets anders te wijzen: het elitisme van het politieke systeem. Dit elitisme is een vorm van regentesk gedrag, dat politieke ideeën en gedragingen instrumenteel gebruikt om aan de macht te blijven. Nederland wordt geregeerd door betrekkelijk overzichtelijke elites die elkaar goed verstaan en via eigen netwerken de lakens uitdelen. Het is de strategie die men zo verfoeide in de verzuilde wereld, maar die kennelijk onuitroeibaar is in Nederland. Onder paars is dit elitisme tot een toppunt gevoerd. Het meest cynische voorbeeld is het paarse regeerakkoord, waarin iedere partij zijn eigen programpunten had, die de anderen hielpen uitvoeren. Zo heeft D66 zijn euthanasiewet en homohuwelijk gekregen en de VVD de privatisering van de NS. Is het een wonder dat het paarse beleid niet verdedigd wordt? De paarse partijen verdedigen alleen hun eigen successen. Het spel met het algemeen belang werd hiermee wel heel erg zichtbaar.

Ten slotte zijn de bronnen waaruit de Nederlandse cultuur tot ver in de twintigste eeuw heeft geput, sinds decennia verstopt geraakt. Het zal moeilijk zijn een land te vinden dat in zijn politieke moraal zo snel seculariseerde als Nederland. De haat tegen het kerkelijk instituut, de clerus, de beknellende moraal van het christendom was groot. Maar met het badwater werd het kind weggegooid.

Intussen is het onloochenbaar dat christelijke normen en waarden altijd richting en structuur hebben gegeven aan de publieke moraal en aan noties als politieke gerechtigheid en solidariteit. Aan een respectvolle en inhoudsvolle dialoog tussen godsdienst en politiek, een dialoog die al energie geeft door morele en geestelijke zaken concreet te benoemen, heeft het in Nederland sinds lang ontbroken.

Prof.dr. R. Kuiper is directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie en bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.