Kiezen tussen kind en koopkracht

In welk jaar leven we eigenlijk, mevrouw Riksen en meneer Tavecchio? Lezers reageerden massaal op hun kritische uitspraken over kinderdagverblijven in deze krant vorige week. De psycholoog en pedagoog oogsten bijval: `Ik heb spijt, ik was zo'n weekend- moeder.' Maar er klinkt ook kritiek: `Wie onder- zoekt de kinderopvang thuis eigenlijk?'

Eirecht

Vooral moeders zijn goed in veel lachen, babbelen en spelen, zegt mevrouw Riksen-Walraven, de kersverse hoogleraar ontwikkelingspsychologie van de Nijmeegse Universiteit. Dat spelen, lachen en babbelen is belangrijk voor de ontwikkeling van onze baby's. Over vaders lezen we niets. Ook haar opvolger aan de Universiteit van Amsterdam, hoogleraar kinderopvang en pedagoog Tavecchio, heeft het niet over vaders in het artikel `Papa, mama, de auto en het kind' (Z, 2 maart). ,,Als we willen dat vrouwen werken, dan moet er naschoolse opvang zijn.'' Als vaders gaan werken, hoeven we kennelijk niets te regelen, vaders tellen als het om kinderen gaat helemaal niet mee. Arme vaders, niets te zeggen. Het krijgen van kinderen is blijkbaar het alleenrecht van de vrouw. Eirecht.

In welk jaar leven we eigenlijk, mevrouw Riksen, meneer Tavecchio? De jaren vijftig van de vorige eeuw? Zijn werkende ouders soms niet belangrijk als voorbeeld voor kinderen? Is werken misschien ook iets méér dan een economische noodzaak. Zijn er misschien ook mensen die werken omdat ze zich willen ontwikkelen en daarmee een voorbeeld zijn voor hun kinderen? Wat denkt u dat uw uitspraken voor impact hebben op alle werkende ouders die hun kinderen naar een crèche brengen? En op al die mensen die voor een verdomd laag salaris keihard werken in die kinderopvang? Met dat salaris permitteer je je geen auto om iedere dag drie uur om te rijden naar de beste crèche en betaal je al helemaal geen ongesubsidieerde gastfamilies.

Riksen-Walraven vindt dat er een landelijke studie moet komen naar de gevolgen van de kinderopvang. Mevrouw Riksen, zou er ook een onderzoek kunnen komen naar de kwaliteit van de kinderopvang thuis? Zelf heb ik me vier jaar thuis doodverveeld met een oma die altijd aan het opruimen was. Ik ken ouders die hun kinderen principieel niet naar crèches brengen, maar wel overleveren aan niet-Nederlandstalige, onervaren au pairs. Ik zie ouders winkelen met jengelende baby's in wagentjes, ik zie veel moeders en ook een paar vaders overdag rokend tv kijken, bellen met vriendinnen, baby in de box. Ik zie vaders en moeders aan de laptop met hun voeten de Maxi-Cosy wiegen. Soms zie ik vaders bij de zandbak de krant en de beleidsstukken lezen. Welke moeders of vaders zitten om klokslag tien uur klaar met een liedje en een fruithapje, gaan elke dag een uur tekenen, voorlezen én buitenspelen? En wie onderzoeken dat?

Vakantie

Eindelijk duidelijkheid over wat wij natuurlijk allang wisten. Deze maatschappij gaat onder leiding van staatssecretaris Verstand (Emancipatie) in een richting die tot problemen gaat leiden. De volgorde is correct: papa, mama, de auto en het kind. Alleen moeten voor het kind nog vakanties (liefst vier keer) en huis (liefst zo groot mogelijk) komen. Alleen in het weekend tijdens de kwaliteitsuren wordt even compact aandacht aan het kind besteed. Het kind is gelijk aan huisdieren die je ook neemt en waar je carrière niet door gestopt mag worden.

Zondebok

Louis Tavecchio klinkt als een onheilsprofeet die in de kinderopvang een zondebok heeft gevonden: ,,de eerste drie levensjaren (zijn) essentieel... voor de ontwikkeling... En als daar dan forse dingen misgaan...''

Tja, er gaan inderdaad soms forse dingen mis. Maar dat gebeurt minstens zo vaak buiten de kinderopvang als daarbinnen. Dat geldt in ieder geval in mijn persoonlijke situatie. Mijn zoontje van vijf heeft al heel wat stormen op het thuisfront moeten doorstaan. Maar ook als thuis de wereld op zijn kop stond, bleef op het kinderdagverblijf de vertrouwde routine gehandhaafd. Dat was zowel voor hem als voor mij een grote steun.

Tavecchio ziet ,, dat leidsters bij het luier verschonen niet met de kinderen bezig zijn, maar met zichzelf''. Dit fenomeen herken ik, bij mezelf. En niet alleen bij het luier verschonen, maar ook tijdens andere activiteiten. Ik blijk zelfs te kunnen voorlezen op de automatische piloot. Niet dat ik het bewust doe, maar als ik genoeg aan mijn hoofd heb, dwalen mijn gedachten vanzelf af. Ik weiger te geloven dat ik de enige ouder ben die daar last van heeft. Geen mens slaagt er toch in van 's ochtends 7 tot 's avonds 8 uur voortdurend zijn volle aandacht bij zijn kind te houden?

Tavecchio zegt over de leidsters in de kinderopvang: ,,De manier waarop ze met kinderen omgaan is vaak eh... weinig cognitief stimulerend...'' Ook hier vraag ik mij af of ouders dat zoveel beter doen. Dat zou een mooi onderwerp zijn voor wetenschappelijk onderzoek (wel graag ouders en leidsters matchen op opleidingsniveau). En waarom wordt die cognitieve stimulans er zo uitgelicht? Een kind is toch meer dan alleen een denkend koppie?

Een weekend-moeder

In de jaren zestig was ik een alleenstaande werkende ouder en mijn kind ging vanaf zes weken naar de opvang. In de jaren zeventig waren er al onderzoeken bekend uit Scandinavië en Tsjechië. De conclusies waren niet erg hoopgevend voor de voorstanders van crèches. Er werd gesteld dat men deze kinderen had gevolgd tot de volwassenheid en dat ze het maatschappelijk slechter deden en minder gelukkig waren dan kinderen die in een gezin waren opgegroeid.

Ook in de jaren zeventig zijn er artikelen verschenen van mevrouw Bladergroen (hoogleraar in Groningen) en een Rotterdams hoogleraar wiens naam mij is ontschoten). Beiden constateerden dat het voor een kind tot plusminus tweeeneenhalf jaar buitengewoon slecht zou zijn om buiten het veilige gezin naar een kinderopvang te moeten.

Waarom heeft Nederland gewacht op een Amerikaans rapport? Door een mijnheer in een tv-interview werd terecht gezegd dat Nederland niet met Amerika is te vergelijken. Als er 25 jaar geleden al Europese onderzoeken bekend waren, waarom is daaraan niet eerder aandacht besteed? En waarom is er in Nederland zelf geen onderzoek gedaan?

Gezien het feit dat de kinderen van toen nu ruim volwassen zijn zou men het hen zelf kunnen vragen. Er was in Nederland, vooral in de grote steden, in de jaren zestig, zeventig en tachtig ook kinderopvang. Omdat men niet zo snel een uitkering kreeg moesten alleenstaande ouders (meestal moeders) wel werken. Toen was er geen keus.

Mijn eigen ervaringen? Ik ben nu zestigplus maar voel nog het verdriet van toen. Dat ik de eerste ontwikkeling van mijn kind grotendeels heb gemist doet nog steeds pijn. Dat kun je nooit meer inhalen. Juist omdat een klein kind veel slaapt blijft er toch al weinig tijd over voor leuk contact, spelen en knuffelen. Ik was eigenlijk een weekend-moeder.

Dat er nu ouders zijn die hiervoor kiezen is voor mij onbegrijpelijk. Een kind wil rust en veiligheid en niet een ouder die altijd haast heeft. Kan die carrière en dat grote huis met die enorme hypotheek niet even wachten?

Oké, ik ben niet van deze tijd. Maar dit onderzoek kan toch alleen achteraf worden gemeten? Dan is er misschien weer een generatie opgegroeid tot onevenwichtige volwassenen. Dat willen we toch niet?

Moederlast

Als we de kinderopvang gaan bestuderen, is het gezien de polarisatie in het debat ook zinvol om het alternatief goed te onderzoeken; wat gebeurt er wanneer kinderen grotendeels worden opgevoed door hun moeders? Misschien komen we dan tot de conclusie dat we de moeders eens wat meer zouden moeten ontlasten en meer vrijheid moeten geven om zich tevens op andere zaken te richten, zodat zij zich met nieuw opgedane energie en inzichten met plezier met hun kroost kunnen bezighouden.

Om dat te bereiken zijn er goede kinderopvang, een betere verdeling tussen de partners en meer mogelijkheden nodig om anderen (ouderen, familie, gastouders) in te schakelen. En ik hoop vurig dat dit nog eens zou kunnen, zonder dat moeders zich steeds weer schuldig moeten voelen over hun keuze of hun wens zich op meerdere terreinen voor de maatschappij nuttig te maken!

Aardappelen

Een halve eeuw geleden werd het begrip geboortebeperking ingevoerd. Nederland telde 9 miljoen inwoners en de regering vond de bevolkingsaanwas beangstigend. Vanaf die tijd groeide het aantal huisvrouwen met een klein kindertal. Zij hadden een gemakkelijk bestaan. Zij roddelden uitgebreid met buurvrouwen tijdens de thee en tegen de tijd dat de kostwinner thuiskwam kookte men wat aardappelen en andijvie en zo kwam men de tijd wel door. Slimme mannen zagen deze leegloperij met lede ogen aan en grepen het gemopper van een kleine minderheid van ontevreden vrouwen met beide handen aan om een vrouwenemancipatieproces op gang te brengen. Onmerkbaar langzaam zijn wij dan ook in een kwart eeuw, vanuit een situatie waarin de gezinsuitgaven door één kostwinner opgebracht konden worden, afgegleden naar een toestand waarbij tweeverdienerschap een financiële noodzaak is voor een flink deel van de Nederlandse gezinnen. Tot vandaag dacht u waarschijnlijk dat de beide kinderopvoedende partners in een moderne gezinsstructuur een baan hebben vanwege hun persoonlijke ontwikkeling? Dertig jaar geleden was dat wellicht zo. Nu moeten ze beiden geld binnenbrengen om niet krap te hoeven leven ergens op een appartementje op driehoog in de grote stad. In de recente jaren van economische groei was het gebruikelijk dat de regering op de derde dinsdag van september jubelde over hoe goed het ging met onze economie. In werkelijkheid is ook in die jaren bijvoorbeeld acceptabel wonen onbetaalbaar geworden en worden kinderen niet meer door de eigen ouders opgevoed, met alle maatschappelijke gevolgen van dien.

Wij ouders zijn kwetsbaar

Verbazend, de opmerkingen van de heer Tavecchio over ouders en kinderdagverblijven als het niet goed gaat op het kinderdagverblijf. Ouders zouden zeggen ,,sorry, het kan niet anders'' of ,,ze wennen er heus wel aan...''. Mijn ervaringen van mede-ouders zijn juist heel anders. Hoe het gaat met je kinderen op de crèche is iets wat ouders (ons, en de ouders die ik ken) flink bezighoudt. Juist omdat er sprake is van een keuze van de ouders om allebei te blijven werken, en er ook te kiezen valt voor de situatie dat één van beiden niet werkt en voor de kinderen zorgt. Een permanente bron van schuldgevoelens die op gezette tijden in meer of mindere mate de kop opsteekt is het resultaat.

Onze jongste zoon gaat twee dagen in de week naar de crèche. Hij vindt het er prettig, maar inderdaad meneer Tavecchio, ik kan het hem niet vragen. Twee dagen is voor hem het maximum. Meer zou hij, denken wij, niet aankunnen. De leidsters op de crèche doen op een ontroerende manier hun best, maar er is helaas sprake van nogal wat ziekte/verloop onder het personeel. Ook vind ik de groep waarin mijn zoontje zit te groot voor twee leidsters.

Gelukkig zijn wij gezegend met een schat van een oppas, die de andere dagen voor haar rekening neemt, en hebben wij een hele lieve hulp, naar wie onze kinderen ook wel eens toegaan. Als we dat allemaal niet hadden gehad, weet ik niet of wij (de ouders) ons werk op deze manier hadden kunnen doen. Ik denk het eigenlijk niet.

De ouders van kleine kinderen die ik ken zijn kwetsbare mensen die graag het beste willen voor hun kind en die regelmatig nadenken over de vraag of ze niet minder zouden moeten werken of stoppen in het belang van hun kinderen.

Kinderen van de rekening

Kinderen moeten in staat worden gesteld zich te hechten, zegt hoogleraar kinderopvang Louis Tavecchio. Lukt dat wel met opvang? Trek dat onderzoek door naar de scholieren. Ze roken, drinken, blowen en halen kattenkwaad uit. Ook eten ze verkeerd. Dat alles is immers stoer en is het gedrag dat hoort bij het verkennen van grenzen.

Maar wie staat aan de grens? Wie vormt het thuisfront? Ouders kopen het schuldgevoel af met zakgeld dat kinderen in staat stelt die rommel te kopen. Veel ouders zijn niet in staat om iets van dat gedrag waar te nemen, hierover met ze te praten, laat staan ze te corrigeren. Ze zijn aan het werk. Voor correctie moet er een band worden opgebouwd en een thuisfront zijn gevormd.

De politiek zou het kind centraler moeten stellen in de programma's. Dat is belangrijker dan nog meer koopkracht. We moeten niet terugkeren naar oude patronen, maar opvoeders – vaders en moeders – faciliteren om zelf die band op te bouwen. Dat vergt tijd en persoonlijke aandacht. Anders krijgen we nog veel meer kinderen van de rekening, een onoplosbaar probleem voor de samenleving en worden we in opvoedkundig opzicht een ontwikkelingsland.

De discussie wordt voortgezet op http://tegenspraak.nrc.nl/Kinderopvang