Ja, dat was Peter

Bij de foto's: Peter met de hond, Peter in de zon in de huiskamer, Peter eet mosselen, Peter op de brievenweger, Peter neemt een bad, Peter wroetend tussen de stoeptegels.

Op een dag in februari 1980 stond Peter in zijn eentje op de oude dijk bij Westkapelle. Hij stond daar nog met één been in het wild. Niemand had ooit een foto van hem gemaakt of Peter tegen hem gezegd. Hij was een kanoet en voor een kanoet is het heel ongebruikelijk om Peter te heten.

Voor een kanoet is het ook heel ongebruikelijk om in je eentje op de oude dijk bij Westkapelle te staan. Een kanoet zonder kanoeten om zich heen, dat is al bijna geen kanoet meer. Peter begreep dus heel goed dat hem iets ergs was overkomen. Toen er mensen aankwamen, wilde hij ervandoor. Vliegen kon hij niet, maar lopen als een tierelier. Peter had het geluk dat die mensen moeite deden om hem te vangen.

De rest van zijn leven zou hij doorbrengen in gezelschap van Jaap en Map Brasser. In 1980 waren zij om en nabij de vijftig. Jaap had bij de marine gezeten, Map kwam uit Den Helder. Nu woonden ze op Walcheren. Ze konden geen dag zonder zee.

En de hond – de hond was zwart. Hij heette Bolletje. Ook al jaren dood. Ze draaiden een keer een bandje af waarop je Bolletje kon horen blaffen, en daar kwam Peter aanstormen. De hond! De hond! Waar is de hond?

Was er destijds een vogelasiel in de buurt geweest, dan hadden ze hem daar wel heengebracht. Nu voelden ze zich, toen het vogeltje eenmaal was opgepakt, verplicht hem mee naar huis te nemen. Map nam maar aan dat het een vleeseter was en haalde een tartaartje uit de ijskast, Jaap begon al aan een bak met zand en zeewater te denken, de Zeeuwse kust in miniatuur.

Als je goed keek, zag je dat Peters rechtervleugel een beetje stijf zat. De dierenarts wist er niet goed raad mee. Dus in het begin zat Jaap dat vleugeltje 's morgens een tijdlang open en dicht te vouwen. Fysiotherapie. Maar dat hielp niet. Het was gebroken geweest, het zou Peter nooit meer van nut zijn. Intussen hadden ze in de bibliotheek de nodige boeken geraadpleegd. Ze wisten nu dat ze met Peter een kanoet in huis hadden gehaald, een vogel met geweldige trekroutes (in feite bleek hij tot de Groenlandse populatie te behoren), een vogel die zich doorgaans verre van mensen houdt – een vogel die zich bij hen als een formidabel huisdier zou ontpoppen.

Ze raakten gewend aan de eindeloze reeksen knut-geluidjes waarmee een kanoet uiting geeft aan zijn gevoelens, oplopend van innige tevredenheid tot grote opwinding (als de telefoon ging, als er iemand aan de deur was). En soms een alarmerend scherp wied-wied-wied. Dan had Peter ergens een roofvogel ontdekt.

's Morgens nam hij een bad, steevast in de tuin – Peter wist precies hoe hij het hebben wou. Gewoon leidingwater bleek overigens best te voldoen.

Peter vond het fijn om met Jaap en Map (en de hond, toen die nog leefde) langs de Westerschelde te wandelen. Zowel buiten als binnen, de hemel in het grote huiskamerraam, hield hij steeds de lucht in het oog. Roofvogels, je wist maar nooit.

Peter at zijn eten en produceerde op gezette tijden zijn poepjes. De emmer met sop stond altijd klaar. Eerlijk gezegd, zei Map, was de vloer nog nooit zo schoon geweest.

Naast vleesproducten had Peter graag een bruine boterham. Daar was hij tijden mee bezig, die scheurde hij finaal aan flarden, en daarmee stilde hij niet alleen zijn honger naar zaadjes. Zoals kinderen aan duimzuigen doen, zo doen kanoeten aan snavelwroeten. Ook in gevangenschap, als ze hun voedsel op een presenteerblaadje krijgen aangeboden, besteden ze daaraan een flink deel van de dag. Arbeidstherapie.

Als ze tv keken, kwam Peter tussen hun voeten staan. Dan trok hij één pootje op, dan stak hij zijn snavel tussen de veren op zijn rug, dan was hij een kanoet in ruste. Alleen voor een natuurfilm, met kans op vogelgeluiden, wilde hij wel wakker blijven. Peter was als het ware gepredestineerd voor het lidmaatschap van de EO. In ieder geval: als je je voeten verplaatste, moest je altijd even om Peter denken.

Tot besluit werd Peter in een bak met een platte steen gezet. Dan inspecteerde hij eerst zijn snoepschoteltjes, een boterham met kaas, een portie tartaar, een handvol universeelzaad, en vervolgens ging hij op die steen staan voor de nacht. ,,Dag Petertje.'' Meestal zei hij nog wat terug, soms niet, soms was-ie met zijn hoofd al ergens anders. En dan ging het licht uit. Omwille van zijn voortbestaan was Peter kortom bereid Jaap en Map (en de hond) als soortgenoten te beschouwen, kanoeten die een beetje vreemd waren uitgevallen en niet konden vliegen – wat in dit geval wel goed uitkwam.

Hem verontrustte natuurlijk hun zorgeloosheid inzake roofvogels. Nooit zouden zij hem eens waarschuwen voor zo'n stipje in de lucht. Daar kan ik toch mooi, dacht Peter, al het werk alleen opknappen. En hem verontrustte natuurlijk ook de geringe omvang van hun groep. Kanoeten zijn altijd met honderden, zo niet duizenden. Daarom was Peter erg gesteld op visite, verjaardagen. Al die voeten die rekening hielden met hem, en hij die reken1ng hield met al die voeten – dolle pret.

Jaap en Map van hun kant begonnen zich af te vragen hoe oud een kanoet wel niet kon worden. Zij waren ongetwijfeld de enigen die voor Peter konden zorgen en ze hadden vast het eeuwige leven niet. Bovendien maakten ze zich zorgen over de illegale status van Peter. Moesten ze niet proberen hem te legaliseren, moesten ze geen vergunning aanvragen voor het houden van één kanoet? Of zouden ze hem dan juist kwijtraken? Iedereen weet dat wij een overheid hebben die alleen grote overtredingen van de regel gedoogt.

Zo kwam het dat ze uiteindelijk contact opnamen met Theunis Piersma van het NIOZ op Texel. Ze kenden hem, dé kanoetenman van Nederland, toen allang van de televisie. Afijn, Jaap neemt de telefoon: ,,Wij hebben een kanoet in huis.'' En Theunis – Theunis denkt aan zijn broer, hij denkt dat hij ertussen genomen wordt. Maar nee, dit is ernst.

Dus hij naar Zeeland voor de merkwaardigste kanoet ter wereld. Hij geeft Jaap en Map informatie en raad, laten we het maar stil houden. En ze geeft ze meteen huiswerk ook. Voortaan gaat Peter elke vrijdag op de brievenweger (op de foto: 140 gram) en wordt precies bijgehouden hoe zijn verenkleed verkleurt.

Ter voorbereiding op voorjaarstrek en broedseizoen eet een kanoet zich vet, terwijl zijn borst een intense rode kleur aanneemt. Bij Peter zag je dat ook, alleen was bij hem elke relatie met het seizoen verloren gegaan.

Kanoeten die geen kans zien hun broedgebieden te bereiken blijven niettemin in de normale jaarcyclus. Bij een bepaalde daglengte krijgen ze het signaal: hou maar op met rood-zijn. Pas als je ze alle informatie uit de buitenwereld onthoudt, beesten die permanent binnen zitten, blijven ze langer rood en begint hun jaarcyclus te verschuiven.

Het merkwaardige met Peter was nu dat hij wel degelijk zicht had op de daglengte en er toch een heel eigen cyclus op nahield.

Hiervoor was maar één verklaring mogelijk: de band met het gezin waarin hij was terechtgekomen was belangrijker dan zijn band met het jaargetij. Peter bleef telkens zo lang mogelijk rood in de hoop dat ook Jaap en Map (en de hond) nog eens zouden opvetten en verkleuren, waarna ze alsnog met z'n allen koers zouden zetten naar Groenland. Met alle beperkingen die hij had, die iedereen heeft, hield Peter van zijn mensen.

Op een dag in januari 2000, bijna twintig jaar later, trof Map hem verkommerd aan naast de emmer met sop in de keuken. ,,Petertje, wat is er met jou?'' Hij had het koud. Ze wikkelden hem in een doek en hielden hem 's avonds op schoot. Voor de nacht zetten ze hem in een doos naast de verwarming. De volgende morgen was hij dood.

Ze begroeven hem in de tuin. Ze zochten op het strand een schone platte steen en legden die op het graf. Peter, zetten ze op die steen. Dat was genoeg.