Hoe leuk is fictieve winst?

Op 1 april aanstaande moet uw aangifte nieuwe stijl bij de belastingdienst binnen zijn. In een korte serie aandacht voor de belangrijkste wijzigingen. Deel 4: de vermogensrendementsheffing. Ofwel: de vragen 13 en 19 tot en met 21 op het P-biljet.

De vermogensbelasting is afgeschaft. En over de inkomsten uit uw spaargeld en beleggingen betaalt u in het nieuwe belastingstelsel geen belasting meer. Leuker kan de belastingdienst het niet voor u maken. Of liggen de zaken toch iets ingewikkelder?

Vanaf 2001 gaat de fiscus ervan uit dat u op uw vermogen een rendement heeft gemaakt van 4%. Daarover betaalt u 30% belasting. U betaalt dus eigenlijk (30% van 4% is) 1,2% belasting over uw vermogen. Onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden. Belast wordt de gemiddelde waarde van uw vermogen op 1 januari en 31 december. Omdat alleen naar de waarde van het vermogen wordt gekeken, zijn gemaakte kosten niet meer aftrekbaar.

Overigens worden niet alle bezittingen en schulden meegeteld. U heeft in ieder geval recht op een vrijstelling van € 17.600. Partners kunnen het belastingvrij bedrag aan elkaar overdragen. Voor minderjarige kinderen geldt nog een kindertoeslag van € 2.349. Ook aan 65-plussers met een laag inkomen is gedacht door een beperkte uitbreiding van de vrijstelling.

In uw aangiftebiljet geeft u bijvoorbeeld spaargeld, beleggingen en een vakantiewoning op als bezitting voor de vermogensrendementsheffing. Met uw eigen huis en de daarbij behorende hypotheekschuld houdt u geen rekening. De hypotheekrente hierop is wel volledig aftrekbaar. Hiervoor krijgt u maximaal 52% terug.

Als u geld tegoed hebt van de belastingdienst hoeft u deze vordering ook niet op te geven. De belastingdienst ziet dit niet als een bezitting. Daar staat tegenover dat een belastingschuld ook niet als schuld in mindering komt. Voor kapitaalverzekeringen geldt onder voorwaarden een vrijstelling. (De kapitaalverzekeringen zijn vorige week op deze plaats beschreven.)

Ook is er een vrijstelling van € 17.025 voor de geblokkeerde spaartegoeden op een premiespaarregeling en spaarloonregeling. Als u geld heeft belegd in groene fondsen of in startende ondernemingen, gelden er nog extra vrijstellingen. Bovendien heeft de belastingbetaler in die situaties recht op een extra heffingskorting van 1,3% van het vrijgestelde bedrag.

Een persoonlijke lening of doorlopend krediet komt als schuld in mindering op de bezittingen. Over de betaalde rente krijgt u echter geen belasting meer terug. Als de schulden hoger zijn dan de bezittingen wordt de totaal te betalen inkomstenbelasting niet verminderd. Voor het in aftrek brengen van schulden geldt een drempel van € 2.500 per persoon. Alleen het meerdere mag van de bezittingen worden afgetrokken.

Het rendement van 4% waarvan de fiscus uitgaat geldt voor alle bezittingen en schulden. Het maakt niet uit hoeveel het werkelijke rendement is dat u met uw vermogen maakt. Zelfs als er geen opbrengsten zijn of er sprake is van een vermogensverlies, moet u de vermogensrendementsheffing betalen.

Een voorbeeld. Bart heeft het hele jaar 2001 € 30.000 op zijn spaarrekening staan. De bank vergoedt 3% rente. De waarde van zijn effectenportefeuille is op 1 januari 2001 € 40.000. 2001 is geen goed beleggingsjaar geweest voor Bart. Op zijn aandelen is geen dividend uitgekeerd en op 31 december 2001 is de effectenportefeuille nog maar € 35.000 waard. Zowel op 1 januari als op 31 december heeft Bart € 2.000 aan huishoudelijke schulden.

Het vermogen op 1 januari 2001 is (€ 30.000 + € 40.000 =) € 70.000.

Het vermogen op 31 december 2001 is (€ 30.000 + € 35.000 =) € 65.000.

De huishoudelijke schulden mogen niet van deze bedragen worden afgetrokken omdat ze minder zijn dan €2.500. Het gemiddeld vermogen voor de vermogensrendementsheffing is dus - na aftrek van de vrijstelling - (€ 67.500 - € 17.600 = ) € 49.900. Hierover betaalt Bart 1,2% belasting ofwel € 598. De fiscus houdt er geen rekening mee dat de bank maar 3% rente betaalt en dat het rendement op de aandelen zelfs negatief is.

Tot 2001 gold een rentevrijstelling en dividendvrijstelling van elk € 454 (ƒ 1.000) per persoon. In het jaar 2001 geldt deze als overgangsmaatregel overigens nog steeds voor in dat jaar ontvangen inkomsten die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2001. Denk bijvoorbeeld aan de op 1 januari 2001 bijgeschreven rente over 2000. Inkomsten die boven de vrijstellingen uitkomen worden belast naar een tarief van maximaal 52%.

De nieuwe regels bieden dus een aantal vrijstellingen die de belasting op uw beleggingen verminderen. Maar echt heel leuk heeft de belastingdienst het niet voor u gemaakt. Mensen met spaargeld hebben beduidend minder lol. En al met al is de regeling in 2001 behoorlijk complex geworden.

Deze rubriek wordt verzorgd door Kluwer Fiscale en Financiële Uitgevers. Eerdere afleveringen staan op: www.nrc.nl/geld/geldtelt