HERSENLITTEKENTJES LEIDEN TOT TWEEDE HERSENBLOEDING

Ongeveer een derde van de patiënten met een beroerte krijgt kort erna een tweede. Vaak is dat een hersenbloeding die is veroorzaakt door de manier waarop de eerste attaque werd behandeld. Neurologen en radiologen in Lyon hebben nu een methode ontwikkeld om vast te stellen of patiënten een verhoogd risico voor deze complicatie hebben. Zij vonden dat de kans daarop toeneemt naarmate er meer littekens zijn van oude, microscopisch kleine hersenbloedingen (Stroke, 1 maart).

Een beroerte ontstaat meestal als een bloedstolsel een bloedvat in de hersenen verstopt. Naar analogie met het hartinfarct spreekt men dan van een herseninfarct. De analogie gaat echter verder. Ook bij herseninfarcten hebben de patiënten meestal `slechte bloedvaten', waarvan de wanden zijn aangetast door atherosclerose en een verhoogde bloeddruk. Bij beide infarcten krijgen patiënten bloedverdunnende middelen die het stolsel moeten oplossen en voorkomen dat nieuwe stolsels voor nieuwe problemen zorgen. Die behandeling is effectief, maar heeft één groot nadeel: als het bloed slechter stolt, neemt de kans op bloedingen toe. Hersenbloedingen komen dan ook regelmatig voor als complicatie na een herseninfarct. Niet zo vaak dat het middel erger is dan de kwaal, maar toch vaak genoeg om behoefte te hebben aan een methode om patiënten met een verhoogde kans op een bloeding op te kunnen sporen, zodat ze eventueel een aangepaste behandeling kunnen krijgen.

Op zoek daarnaar gingen de Franse onderzoekers uit van het feit dat beschadiging van de dunne wanden van kleine hersenvaten tot microscopisch kleine bloedingen kan leiden. Als de bloedstolling normaal functioneert merkt de patiënt daar niets van: het wondje wordt meteen door een stolsel afgesloten. Er blijft echter altijd een littekentje achter en dat duidt erop dat er iets mis is met de bloedvaten zodat er kans is op een hersenbloeding als de bloedstolling op een laag pitje is gezet.

Bij 100 patiënten die met een herseninfarct waren opgenomen, gingen zij eerst na met welke beeldvormende techniek dergelijke littekens het best zijn op te sporen. Daarbij kwamen zij uit op een betrekkelijk nieuwe variant van de MRI-techniek, waarbij MRI-scans worden gemaakt bij een geleidelijk veranderende magnetische veldsterkte (de gradiënt). Op die manier vonden ze meer littekentjes dan met conventionele MRI. Uiteindelijk werd bij 20 patiënten vastgesteld dat zij ooit één of meer microbloedingen hadden. Van de honderd onderzochte patiënten kregen er 26 binnen een week na het herseninfarct een hersenbloeding. Tien van de 26 kwamen uit de groep van twintig waarbij littekens van microbloedingen waren gevonden. Ondanks het kleine aantal patiënten werd vastgesteld dat de kans op een hersenbloeding significant samenhangt met de aanwezigheid van littekens van microbloedingen. Daarnaast vonden de Fransen dat deze kans ook toeneemt voor mensen met een verhoogde bloeddruk en diabetes.