Geven met een gerust hart

Nederlanders geven graag en veel aan goede doelen. Alleen: Wie zegt dat het geld goed terechtkomt? Om de gever houvast te geven is er een keurmerk. ,,De donateur heeft recht op helderheid.''

Nederland goede doelenland? Het lijkt erop. Maar liefst negen van de tien Nederlanders geeft aan een goed doel. Per accept-giro, of in de collectebus. De vrijgevigheid is groot, evenals het vertrouwen in de instellingen die al dat geld op een verantwoorde wijze moeten besteden. In 2000 gaven de Nederlanders in totaal 1.9 miljard gulden aan goede doelen.

De gedachte aan huilende zeehondjes, honger in Afrika, kanker of noodlijdende kunst kan voor sommige mensen op sommige momenten heel onaangenaam zijn. De geruststelling dat je belasting betaalt om deze problemen op te lossen, is dan vaak niet bevredigend. Dus geef je. Bovendien: Wie goed doet, goed ontmoet.

Maar de afgelopen jaren doken er van tijd tot tijd verhalen op in de media die aan dat goede gevoel knaagden. Zo zou Foster Parents Plan veel geld verkwisten,een verhaal dat later overigens met succes weerlegd werd. En in het algemeen zouden nogal wat fondsenwervende instellingen bulken van het geld, zonder dat ze er een goede bestemming voor hadden. Onder meer de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (KNRM) zouden geld `oppotten'.

Veel organisaties zagen door de beurshausse hun reserves groeien. En in de wereld van de fondsenwervers ontstond de discussie of er niet een plafond moest komen voor de hoogte van het eigen vermogen. Hoe kon je nu geloofwaardig zijn bij het werven van donateurs, als je tegelijkertijd bulkt van het geld?Intussen is het beursklimaat veranderd en de discussie verstomd. ,,Oppotten? Grote reserves? Ik wou dat het waar was'', zegt M. Hammink, woordvoerster van Mensen in Nood / Stichting Cordaid. ,,Helaas, dat probleem hebben wij niet'', zegt W. Grommers van de Vereniging Rembrandt, een instelling die de aankoop van kunstwerken medefinanciert.

,,We gaan niemand voorschrijven hoe groot het eigen vermogen maximaal mag zijn'', zegt directeur B. Bosma van de Vereniging van Fondsenwervende Instellingen (VFI). ,,Sommige instellingen vinden een flinke reserve noodzakelijk om op de lange termijn hun doelstellingen te realiseren.'' R. Moens van Natuurmonumenten zegt: ,,Om natuurgebieden tot in de eeuwigheid te kunnen beheren hebben wij een groot eigen vermogen hard nodig. Wij hebben een structureel exploitatietekort van 18 miljoen euro. Dat gat moet ieder jaar gedicht worden met het rendement van ons vermogen.''

De gedachte aan grote geldpotten hoeft de donateur dus geen onbehaaglijk gevoel te geven. Maar hoe weet je nu dat je geld ook goed terechtkomt? Wat doen die instellingen met hun giften, contributies en legaten? Gaat het daadwerkelijk naar het doel waarvoor het bedoeld is? Maken ze niet te hoge kosten?

Om de donateur een houvast te geven, is er het keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF). In heel Nederland hebben 128 instellingen het keurmerk en de Dierenbescherming wordt binnenkort nummer 129. Om dit certificaat te krijgen moeten de instellingen aan een aantal eisen voldoen. De belangrijkste zijn een heldere en betrouwbare financiële verslaggeving, en de eis dat er voor iedere euro voor maximaal 25 cent aan wervingskosten mogen worden gemaakt. Het keurmerk staat vermeld op folders en brochures van de betreffende instelling, zodat de donateur weet dat zijn geld doelmatig wordt besteed.

Het CBF wil de eisen voor het keurmerk dit jaar verder aanscherpen om het vertrouwen in de branche verder te vergroten. ,,De instellingen moeten zich ervan vergewissen of ze daadwerkelijk bereiken wat ze aan de donateurs beloven, en daar duidelijk verslag van doen'', zegt adjunct directeur L. van Deth. ,,Gaan ze wel doelmatig om met het geld dat ze ophalen? Daarover verantwoording afleggen is een plicht die ze hebben tegenover hun donateurs.'' Dit is vooralsnog een zwakke schakel in het CBF-keurmerk. Maar reden voor ontevredenheid is er volgens Van Deth niet. ,,De branche is de laatste jaren enorm geprofessionaliseerd, de opbrengsten voor goede doelen zijn de laatste tien jaar verdrievoudigd. Mensen kunnen ervan op aan dat instellingen die ons keurmerk hebben, op een verantwoorde manier met hun geld omgaan.''

Het keurmerk is ook op een andere manier waardevol. Twee jaar geleden doken namelijk ineens een paar instellingen op met verwarrende namen. Look-alikes worden ze genoemd. Zo is er naast de Nederlandse Hartstichting ook het Nederlands Fonds voor het Hart. De eerste heeft een CBF-keurmerk, de tweede niet. Bovendien richt de laatste zich, in tegenstelling tot de Nederlandse Hartstichting, op de alternatieve geneeswijze. Aanvankelijk noemde de nieuwkomer zich zelfs Nationaal Hartfonds, maar de rechter oordeelde dat die naam te veel verwarring veroorzaakte en veranderd moest worden. Ook de Nederlandse Kankerbestrijding/Koningin Wilhelminafonds en het Nationaal Reumafonds hebben last van dergelijke praktijken. Het CBF-keurmerk biedt in deze verwarring een houvast. Een probleem is evenwel dat nog te weinig mensen het kennen. Uit een enquête van het CBF bleek dat 16 procent desgevraagd het keurmerk kende.

Ook de Vereniging van Fondsenwervende Instellingen (VFI) maakt zich sterk voor helderheid in de charitatieve sector. Tegenover nieuwe instellingen en look-alikes treedt zij op als die zich bedienen van verwarrende namen. Voor haar eigen leden, die allemaal het CBF-keurmerk hebben, ontwerpt zij momenteel nieuwe regels voor het vermogensbeleid. Eenvoudig gezegd komt het erop neer dat zij op heldere wijze moeten aangeven hoe groot hun vermogen is in verhouding tot hun uitgaven. ,,We willen dat al onze leden op basis van dezelfde criteria vermogensbeleid voeren en verantwoorden. Zodat iedereen inzicht heeft in de wijze waarop een instelling met zijn inkomsten omgaat'', zegt directeur Bosma. Voor het einde van dit jaar hoopt de VFI de nieuwe regels te kunnen invoeren.

Dat is misschien goed nieuws voor vermogende Nederlanders die graag iets terug willen doen voor de maatschappij. De legaten en nalatenschappen zijn het afgelopen decennium voor de goede doelen steeds belangrijker geworden. Overleden Nederlanders lieten in 2000 voor maar liefst een half miljard gulden na, ruim een verdubbeling ten opzichte van 1996. ,,Wij hebben daar ook van geprofiteerd'', zegt Grommers van de Vereniging Rembrandt.

Om het animo voor het nalaten van erfenissen verder te vergroten, lobbyt de VFI in Den Haag om de legaten fiscaal vriendelijk te behandelen. Goede doelen-organisaties die `het algemeen nut' dienen - zoals charitatieve, kerkelijke, culturele en wetenschappelijke instellingen - kunnen op basis van artikel 24 lid 4 van de Successiewet nu al in aanmerking komen voor belastingvrijstelling. Over giften aan deze instellingen hoeft geen of minder belasting te worden betaald. De instellingen zelf hoeven ook nauwelijks belasting te betalen. De VFI wil nu dat alle gecertificeerde instellingen automatisch in aanmerking komen voor vrijstelling. Maar hoe groot is de winst voor het `algemene nut' als de belastingdienst steeds meer geld misloopt? Het ministerie van Financiën studeert momenteel op een antwoord.

Als de vrijstelling er komt kunnen de goede doelen, met de toenemende vergrijzing die Nederland de komende decennia te wachten staat, nog mooie tijden tegemoet zien.