Een reis met dreigend onweer

Het heet dat Nederland altijd vijftig jaar achterloopt, maar de componist Jakob van Domselaer (1890-1960) was in de `Proeve van Stijlkunst' iedereen een halve eeuw vóór. Zijn quasi-chaotische `klankballingen' die elk spoor van melodie uitwissen, lijken meer op de experimenten van Morton Feldman ver na de Tweede Wereldoorlog, dan op elke andere compositie van na de Eerste Wereldoorlog.

Het bleek voor Van Domselaer een doodlopende weg. Hij hervond zich achterwaarts bewegend via Mahler en Beethoven `alsof een zwaar verroeste deur langzaam openschoof.' Daarvan getuigt de Eerste symfonie uit het begin van de jaren '20. Het werk, herontdekt in het Haags Gemeentemuseum door pianist Kees Wieringa, werd nu in Leeuwarden in wereldpremière gebracht door een bijzonder toegewijd Noord-Nederlands Orkest.

Van Domselaer belandde steeds tussen wal en schip. Eerst leunde hij, zoekend naar erkenning, te dicht tegen Schönberg aan. Later was het verwijt dat hij bij Schönberg was blijven hangen. Tachtig jaar na dato telt slechts een eigen geluid, kern en karakter. Welnu, Van Domselaers symfonie ís kernachtig en krachtig. Het is muziek als een reis door een donker landschap met dreigend onweer en felle blikseminslag. Pregnant geritmiseerd en zowel `met vol geluid' als schril van karakter. Van Domselaers adagium was dan ook: `de welluidendheid is het listigst in de ruwe dissonant'.

De instrumentatie is nergens gelikt of gemakzuchtig, eerder onhandig. Het intrigerende begin plaatst een donker front van hoorns voor de expressief met elkaar verstrengelde fagotten, waar de klarinetten zich discreet bijvoegen. Na deze introductie betreden we een andere klankwereld, koortsachtig krakend in het krijsen van de klarinet. De wereld stort ineen als een kaartenhuis en ook in het tweede deel, een steeds levendiger Schubertiaans allegretto, keert deze woelige scène terug.

Een lyrische sectie con molto sentimento brengt slechts tijdelijke ontspanning. In het derde deel Adagio speelt het orgel met voix celeste-register tegen welluidende drieklanken in de hoge strijkers. In het vierde deel, een stormachtig Allegro con brio, pakt het orgel uit met het volle werk. Er zijn herhaalde aanlopen naar een hoogtepunt. Als dat eindelijk komt, wordt het afgekapt alsof er een taboe heerst op elke vorm van ontspanning.

Deze symfonie was Van Domselaers hoogtepunt. De kamermuzikale instrumentatie loopt vooruit op Schönbergs Klangfarben-melodiek, waarin wisselende kleurvlakken elk melodisch motivisch denken overheersen. Dat idee zou Van Domselaer nog radicaler uitwerken, tot hij vastliep.

Noord-Nederlands Orkest o.l.v. Martin Sieghart. Gehoord: 7/3 De Harmonie Leeuwarden. Herh.: 9/3 Groningen.