`Disgrace' wereldwijd

J.M. Coetzee, die nu het tweede deel van zijn memoires heeft gepubliceerd, koestert geen illusies over de leefbaarheid van Zuid-Afrika. Aldus Pieter Steinz in zijn serie literaire leestips.

Toen de Britse Booker Prize voor literatuur in 1993 een kwart eeuw bestond, werd Midnight's Children van Salman Rushdie, het winnende boek van 1981, uitgeroepen tot de `Booker of Bookers'. Zes jaar later viel de Zuid-Afrikaan J.M. Coetzee (1940) een nog grotere eer te beurt. Met de verkiezing van Disgrace tot beste fictieboek van 1999 werd hij de eerste romancier die de Booker Prize twee keer op zijn naam schreef; in 1983 had hij hem al gewonnen voor zijn allegorie op de politiestaat Zuid-Afrika, The Life and Times of Michael K.

De felrealistische post-apartheidsroman Disgrace, in Nederland vertaald als In ongenade, toont Coetzee op het toppunt van zijn kunnen, en doet vermoeden dat de in Kaapstad geboren professor algemene literatuur ook de eerste zal worden die de belangrijkste prijs van het Engelse taalgebied drie keer wint. Al zal dat niet zijn met het gisteren in Boeken enthousiast besproken Portret van een jongeman, dat als wereldprimeur deze week al in Nederland verscheen; de jury van de Booker Prize laat geen autobiografisch werk toe, zelfs al staat er het woordje `roman' op het omslag en behoort het tot de beste boeken van het jaar.

Pure fictie komt bij Coetzee in drie soorten. Sinds zijn eerste roman In the Heart of the Country (verschenen in 1977, drie jaar na het uit twee thematisch verwante novelles bestaande debuut Dusklands) gebruikt hij zijn door apartheid verscheurde vaderland van tijd tot tijd als decor voor romans over morele worstelingen; zo gaat Age of Iron (1990) over een blanke vrouw die op late leeftijd haar indirecte verantwoordelijkheid voor de ellende van zwart Kaapstad inziet. Daarnaast schrijft Coetzee allegorische romans die zich afspelen in anonieme landen die op Zuid-Afrika lijken (Waiting for the Barbarians, 1980), alsmede literair-historische variaties op romans van bewonderde voorgangers als Daniel Defoe (Foe, 1986) en Dostojevski (The Master of Petersburg, 1994).

Disgrace, dat het verhaal vertelt van een hoogleraar die na een gewraakte relatie met een studente steeds verder in de hel van modern Zuid-Afrika afdaalt, behoort tot de realistische romans van Coetzee. De schrijver is geen lachebekje, zoals een ieder weet die een paar jaar geleden zijn uitzonderlijke en meer dan moeizame televisieinterview met Wim Kayzer zag. Pessimisme zet de toon; wie Disgrace uitleest koestert geen illusies meer omtrent de leefbaarheid van de Zuid-Afrikaanse samenleving, en trouwens ook niet over het niveau van de door politieke correctheid geregeerde academische wereld. Aan het eind van het boek, wanneer David Lurie zijn lievelingshond uit het asiel waar hij werkt een spuitje-om-bestwil laat geven, kun je alleen nog naar adem happen. De laatste woorden van Disgrace zijn `I am giving him up', maar een halve bladzijde eerder heeft Coetzee het motto van zijn werk nog wat explicieter geformuleerd:

`It gets harder all the time.'

Pieter Steinz: ps@nrc.nl