De profundis

Soms ben ik wel eens bang, al weet ik dat het overdreven en irrationeel is. Dan moet ik mezelf bezwerend toespreken: leven we niet in het ontwikkeldste, beschaafdste, welvarendste en meest vrije deel van de wereld? Ja, dus ik heb geen reden tot acute angst voor hoe het verder zal gaan. Het zal wel loslopen.

Maar toch bang. Of misschien wel juist daarom: kan dit wel duren? Bang voor groepsgeweld en vervolging, bang dat, zoals Leo Vroman het schreef, de oorlog van weleer/ wederkeert op vilte voeten/ dat we eigenlijk al niet meer/ kunnend alles, toch weer moeten/ liggen, rennen en daarnaast/ gillen in elkanders oren/ zo wanhopig dat wij haast/ dromen ons te kunnen horen.

Dan denk ik dat we op weg zijn naar de burgeroorlog. Onzin, Etty! Stel je niet aan! Doe normaal! De oorlog is ver weg, in ruimte en tijd, wij zijn de bevoorrechten der aarde.

Huiverend las ik maandag de column van Anil Ramdas. Hij was voor het eerst van zijn leven getuige van wat er gebeurt als mensen, vriendelijke, verdraagzame en behulpzame mensen, zich in groepsverband storten op medeburgers met een andere cultuur. ,,Moslims vielen een trein aan en staken wagons in brand. Kinderen zaten in die wagons, die uit de kleine raampjes naar buiten probeerden te kruipen. Ze werden door de meute doodgestenigd. Toen gingen Hindoes de straat op om de weerzinwekkendheid te overtreffen.'' Omstanders glimlachten toen een moslimmeisje van twaalf jaar werd overgoten met kerosine en in brand gestoken.

Waarom dringt het maar zo moeilijk tot ons door dat mensen, groepsgewijs tegen elkaar opgezet, tot monsters worden, demonen, moordenaars die gedoemd zijn elkaars bloeddorst en wraakzucht te bevredigen? Dinsdag beschreef correspondent Joris Luyendijk hoe in Ramallah na een Palestijnse zelfmoordaanslag honderden inwoners de straat opstroomden om te juichen: ,,Zij doden onze kinderen, wij die van hen!''

Zij, wij, hun kinderen, onze kinderen, dood, dood. Daar heb je het: mijn onbestemde angst voor wat er sluipenderwijs, zomaar, zonder dat je er erg in hebt, uit de zwartste diepte omhoog kan komen als bevolkingsgroepen elkaar het licht in de ogen niet gunnen, elkaar de uitkering, de woning, de arbeidsplaats, het ziekenhuisbed, de onderwijssubsidie betwisten, elkaars geloof verdoemen, elkaars gebruiken haten.

Dat was maandag, Anil. Dat was dinsdag, Joris. Toen kwam de woensdag van Pim. Ik weet wel dat Pim geen racist is. Heus niet. Net zo goed als ik weet dat de stemmers op Pim alleen maar boos zijn op de bureaucratie of gewoon ontevreden over hun bestuurders. Maar dat is niet Pims winst. Zijn kiezers zijn gekrenkt door Marokkaanse straatrovers, zij zijn verongelijkt over wat zij zien als achterstelling van hun kinderen op school of van hun ouders op de wachtlijst voor het verpleeghuis. Ik weet wel dat het aardige, veelal redelijke, vriendelijke mensen zijn, die hun moslimburen individueel het beste wensen en vluchtelingen onderdak willen bieden als het nodig is, mensen die gewoon hun buik vol hebben van wat zij ervaren als oneerlijke concurrentie, als inpikken van wat zijzelf eigenhandig hebben opgebouwd. Niets op aan te merken. Zij zijn ook bang, voor het andere, voor het vreemde. Maar vooral boos.

Nee, Pim is geen racist. Hij verwoordt wat toch eens, hoe dan ook, aan de oppervlakte moest komen, de sluimerende rancune, de ongemakkelijke omgang met wat niet past in het eigen, vertrouwde wereldbeeld. Die etterende wond moest hoe dan ook een keer openbarsten.

Er is dus nog geen reden om bang voor Pim te zijn; hij is gewoon de eloquente vertolker van wat al jaren in cafés, bedrijfskantines, treincoupés wordt gezegd over reële ervaringen en belevenissen, verklaarbare ongenoegens, begrijpelijke irritaties. Noch is er reden bang te zijn voor zijn kiezers, die een primordiale schreeuw laten horen, maar evengoed een redelijk gesprek kunnen voeren. En toch zie ik soms het bloed al door de straten lopen, hoor ik kinderen huilen en hou ik mijn hart vast.

Dan denk ik, hoe ik mezelf ook tot bezinning maan, dingen als: schande over Rotterdam! Schande over het eertijds rode Rotterdam! Schande over Fortuyn die op primaire sentimenten speelt. Schande over Peper, die waanwijs commentaar levert, terwijl hij zelf met zijn affaires en zijn autocratische bestuur de kiezers naar Fortuyn heeft gejaagd. Schande over Bolkestein, die de hemel in wordt geprezen omdat hij al in 1991 `bespreekbaar' maakte dat ONZE Beethoven cultureel veruit superieur is boven HUN gamelanmuziek, dus dat wij beter zijn dan zij.

Schande ook over Mohamed Rabbae, thans nog Tweede-Kamerlid van GroenLinks, die op een politieke bijeenkomst in Rotterdam tot allochtone Nederlanders zei: `We kunnen de strijd nu op alle fronten voeren, we hebben tegenwoordig schrijvers, komieken, artiesten en columnisten.' WE? GroenLinks? Islamieten? Allochtonen? Heeft Rabbae tegenwoordig schrijvers en andere cultuurdragers in dienst?

Wie zijn toch steeds die wij? Anil Ramdas schreef over het door hem in India gadegeslagen bloedbad dat de mensen, omdat zij niet meer voor zichzelf konden denken, in een dierlijke staat terugvielen. Zij verloren hun ik, hij had het met eigen ogen gezien. Maar Rabbae zegt doelend op een etnische of religieuze bevolkingsgroep dat `we' de strijd kunnen voeren `op alle fronten'. Ik zie het voor me. Zo zegt Fortuyn dat WE moeten verhinderen dat hier de spoeling te dun wordt en dat ZE moeten worden buitengesloten. Ze, met hun achterlijke godsdienst, die de godsdienst is van Mohammed Rabbae.

Op naar de burgeroorlog? Nee, natuurlijk niet. Zo'n vaart loopt het niet. Noch hier, noch elders in West-Europa, waar dezelfde problemen en dezelfde sentimenten aan de orde zijn. De samenleving is stabiel, kan wel een stootje velen. Onvrede, ik hou het mezelf voor om me gerust te stellen, is niet hetzelfde als vreemdelingenhaat. Afgunst is niet hetzelfde als racisme. Boosheid over moeizame integratie is nog geen cultuurstrijd. Weerzin tegen wangedrag van specifieke groepen is nog geen wraakzucht.

Ik zeg niet dat de motieven van de Fortuynstemmers verwerpelijk zijn. Hoofdzakelijk is het stoom afblazen, waarschuwen, jennen. Allemaal waar. Als ze maar tijdig tot bezinning komen, als ze maar tot rede komen voor het te laat is.