Bezoekje postkantoor: martelgang

Postkantoren in Servië – ik loop er het liefst met een grote boog om heen. Helaas kan dat niet altijd. Zodoende maak ik gemiddeld een keer per week de martelgang naar het postkantoor. Voor alles moet een inwoner van Servië naar het postkantoor, want giraal verkeer bestaat nauwelijks. Elektriciteit, water, telefoon; het wordt contant afgerekend. Op het postkantoor.

Regelmatig belt de postbode aan huis. Het is een vriendelijke man, die 's ochtends om elf uur naar alcohol en sigaretten ruikt. Glimlachend overhandigt hij een rekening. Daar ga ik mee naar het postkantoor. In het postkantoor staan ellenlange rijen, want iedereen krijgt op dezelfde dag de rekening en de betalingstermijn is kort. Wie niet betaalt, wordt afgesloten.

In de rij is een puntig paar ellebogen een vereiste. Meer dan dertig procent van de Belgradose beroepsbevolking is werkloos, maar iedereen schijnt altijd haast te hebben. In ieder geval is het (voor)dringen geblazen. Achter de loketten zitten meestal jonge vrouwen. Ze zijn gekleed in een witte blouse met een blauwe shawl en hebben een donkere rand om hun lippen. Deze lipliner moet vaak worden bijgewerkt meestal als ik aan de beurt ben.

Onlangs moest ik twee dichtbundels van de door het Joegoslavië-tribunaal gezochte oorlogsmisdadiger Radovan Karadzic naar Nederland sturen. Een boek had ik in een kartonnen doosje van de Nederlandse posterijen gestopt. Maar de vrouw op het postkantoor schudde haar hoofd. Een boek in een doosje; zoiets geks had ze nog nooit gezien. En dus werd het hoofd inpakken geroepen, een puffende man met zweetplekken in zijn overhemd. Hij trok het doosje aan stukken en pakte de boeken in bruin papier met een touwtje erom. Dat hele zaakje hield hij triomfantelijk omhoog: kijk mevrouwtje, zo pakt een mens boeken in!

Een visitekaartje met de tekst `Hier boek Karadzic, groeten' was uit de boeken verwijderd. Dat werd beschouwd als een brief, vertaalde een wachtende klant en dat kostte tweehonderd dinar extra.

Laatst moest ik een (hoge) rekening van de mobiele telefoon betalen. Maar gedurende drie dagen leek niemand de 400 euro te willen accepteren. Eerst stuurde de vrouw achter het loket mij naar huis om mijn paspoort te halen. Toen moest ik naar een wisselkantoor om `schone' bankbiljetten te halen; op twee biljetten was met een pen iets geschreven en dat accepteerde het postkantoor niet. Daarna bleek de medewerkster de euro niet te kennen.

Dus werd het hoofd rare bankbiljetten, een puffende man met zweetplekken in zijn overhemd, erbij geroepen. Na veel wikken en wegen besloot hij het geld toch aan te nemen. Wel werden naam, paspoortnummer, adres en telefoonnummer genoteerd. ,,Als die euro's vals zijn, weten we u te vinden'', zei het hoofd rare bankbiljetten dreigend. Het hele postkantoor genoot mee.

,,Het postkantoor is een communistische dinosaurus'', zegt een Servische kennis. Het postkantoor is bij uitstek een overblijfsel van het communistische Joegoslavië, dat onder president Tito het stempelen tot way of life verhief, net als in de rest van de socialistische wereld gebeurde. Service was een vies woord, efficiency was een rare uitvinding van het kapitalisme en het salaris werd toch wel iedere maand uitbetaald.

Desalniettemin hebben sommige Servische ondernemingen de tijdgeest te pakken en proberen ze zich te schikken naar, vooral, West-Europese maatstaven. Dergelijke bedrijven bevinden zich in de dienstverlenende sector: een restaurant, boetiek, internetprovider. Ze hangen een efficiënt beleid aan, gericht op winst en zijn aardig tegen hun klanten. Ze accepteren (nog) geen creditcards, maar hebben geen problemen met euro's. Niet bij het postkantoor. De helft van de medewerkers heeft de hele dag niets te doen en houdt de andere helft die wel wat zou moeten doen van het werk.

Maar ik heb maatregelen genomen. Het geld voor de elektriciteitsrekening stop ik nu in de handen van de huisbaas, die vervolgens zijn oude vadertje naar het postkantoor stuurt om de rekening te betalen. De postbode heb ik zover gekregen dat hij het geld voor de telefoonrekening aanneemt. En nou maar hopen dat beiden niet stiekem het geld opdrinken.