Wonderboys met beperkingen

In de Amerikaanse rock is een kwetsbare renaissance aan de gang van jonge bands die de gitaar weer de moeite waard maken. ,,We zijn hip, dat is vreselijk.''

De zon schijnt, het bier schuimt, de rondvaartboot schommelt door de Amsterdamse grachten. In het ruim schalt Pretty Vacant van de Sex Pistols. Het is vrijdag 1 maart, één dag na het optreden van The Strokes in Paradiso en de groep maakt een boottocht door Amsterdam. Ze is niet alleen. The Strokes worden vergezeld door drie Zuid-Europese cameraploegen, een stuk of wat Nederlandse journalisten en een paar mensen van hun platenmaatschappij.

Struikelend over snoeren, en schreeuwend om de Pistols te overstemmen dringen de verslaggevers zich tegen de bandleden. Albert Hammond jr. en drummer Fabrizio Moretti geven welwillend antwoord, gitarist Nick Valensi staart in zijn glas, bassist Nikolai Fraiture kijkt verlegen. Zanger Julian Casablancas kijkt niet. Casablancas hangt met zijn rug naar het gezelschap over de bank. Binnen de band heet hij `de diva'.

Vorige week waren ongeveer gelijktijdig drie jonge Amerikaanse bands live in ons land te zien: The White Stripes (schreeuwerige rhythm & blues), The Strokes (New Yorkse sneerliedjes) en Black Rebel Motorcycle Club (psychedelische rockmuziek). Ze speelden alledrie in uitverkochte zalen en trokken veel aandacht van de media. Samen staan deze groepen voor het nieuwe elan in de Amerikaanse rockmuziek. Daar voltrekt zich op dit moment de renaissance waar het publiek sinds het midden van de jaren negentig op zit te wachten. Na de creatieve bloei ten tijde van Nirvana bood Amerika weinig anders dan de botte `nu-metal'-beweging (`new metal') van groepen als Limp Bizkit en System of a Down. Niet dat er nu sprake is van een stroming met een duidelijk gedeelde muziekstijl, maar er zijn tenminste weer een paar bands die de gitaar de moeite waard maken.

Behalve BRMC, The Strokes en de Stripes geldt dat bijvoorbeeld ook voor zanger Andrew WK, of de Moldy Peaches uit New York. En in de coulissen staan al weer nieuwe kandidaten klaar, zoals The Vue en ARE Weapons. Black Rebel Motorcycle Club en The Strokes braken eind vorig jaar allebei door met hun debuut-cd. The White Stripes kregen het succes met hun derde cd, White Blood Cells (2001). De verkoop loopt voorspoedig (600.000 voor The Strokes in Amerika), terwijl de groepen over de wereld worden gejaagd om overal acte de présence te geven. Dat betekent avond aan avond optreden. iedere dag naar een ander land reizen, interviews geven en fotosessies ondergaan. De roem lonkt.

Valkuilen

Hoe verheugend deze ontwikkeling ook mag lijken, er zijn valkuilen. Want deze nieuwe bandjes vormen een kwetsbare groep. Juist omdat ze goeddeels uit debutanten bestaat. The Strokes zelf zijn het beste voorbeeld. Hun cd biedt elf liedjes en duurt zesendertigeneenhalve minuut. Toen de bandleden na elf september één van die elf liedjes bij live-optredens niet meer wilden spelen (het drieëneenhalve minuut durende New York City Cops, met als refrein: ,,New York City cops/ they ain't too smart''), betekende dat het tijdelijk einde van de tournee; ze hadden simpelweg niet genoeg repertoire. Onlangs heeft Julian Casablancas één nieuw nummer geschreven, maar bij het bedenken van de titel liep hij tegen een writers-block op. Het liedje gaat nu door het leven als `ze newie'.

,,Na de Europese tournee gaan ze naar huis en nummers schrijven'', zegt manager Ryan Gentles (24) in de boot op de Amstel. ,,Alle grote zomerfestivals in Europa en Amerika willen dat The Strokes straks komen spelen. Maar er moet eerst aan de tweede cd worden gewerkt. Voorlopig kunnen ze niet touren.'' Want er is nog een lange weg te gaan, aldus Gentles. Nu de groep het afgelopen jaar bijna onafgebroken heeft opgetreden, moet er nieuw materiaal komen. Zo is er behalve het gevaar van uitputting en overspannen popsterrengedrag ook het probleem van de verlammende verwachtingen.

De `sophomore jinx' noemt Jack White van The White Stripes dat. Oftewel ,,De vloek van de `tweede''' (`sophomore' betekent tweedejaars student). Jack White speelt samen met zijn drummende zus Meg White al jaren in The White Stripes. Ze brachten twee platen uit bij een onafhankelijke platenmaatschappij in hun woonplaats Detroit, voordat White Blood Cells (met de single Hotel Yorba) werd opgepikt door een groot publiek. Van alle hedendaagse Amerikaanse bands vormen The White Stripes wel het meest onverwachte succesverhaal: een steevast in roodwitte kleding gestoken duo dat uit de krochten van de Detroitse underground kwam kruipen om ons te vermaken met primitieve blues en jankende schreeuwstemmen.

Het bracht ze vorige week onder meer naar Nighttown, Rotterdam. Daar vertelt Jack White (25) dat hij blij is dat zijn band pas echt begon te lopen toen ze hun derde cd al hadden gemaakt. ,,Behalve dat ik toen veel meer wist over hoe de platenindustrie in elkaar zit, hebben we nu ook geen last van de sophomore jinx. Als je met je debuut meteen succes hebt, móet je met je tweede ook scoren. Lukt dat niet, dan val je diep. Want je hebt nog niet echt iets opgebouwd. Wij hadden al een achterban. Bij onze volgende cd kunnen we gewoon weer onze gang gaan.''

Ook voor The White Stripes heeft het plotselinge succes een schaduwkant. De hype die de groep in Engeland en Amerika nu omringt lokt een ander soort publiek naar de concerten dan Jack en Meg gewend waren. ,,Wij waren een tijd lang ieders `geheime band'. In Amerika hebben we onze reputatie heel langzaam opgebouwd. Maar tegenwoordig willen allerlei mensen ons zien spelen omdat ze over ons hebben gelezen. We zijn `hip'. En dat is vreselijk. Vroeger hadden we een energiek publiek, daar kreeg je iets van terug. Nu staan we voor mensen te spelen die met hun gedachten heel ergens anders zijn.''

In Londen namen The White Stripes onlangs hun maatregelen. ,,We hadden een paar dagen vrij. Toen hebben we een concert georganiseerd in een klein zaaltje. Bevriende platenhandelaren hebben we de kaartjes laten uitdelen aan mensen van wie ze wisten dat ze ooit een plaat van ons hadden gekocht. Zo konden we garanderen dat de echte fans ons tenminste ook nog eens konden zien.''

Toen zijn nieuwe status zich aandiende, was Jack White blij dat zijn band een ingebouwde beperking heeft. ,,Wij zijn maar een duo. We zullen nooit in een stadion kunnen spelen'', zegt hij. ,,Want dan komt de muziek niet over. Wat dat betreft zijn wij niet bepaald een recept voor succes.'' Toch kon White bij de overstap van een kleine naar een grote platenmaatschappij profiteren van een ongewoon gunstig contract, met hoge royalty-percentages en zeggenschap over de cd-masters. Uit een groot aantal mededingers koos hij platenmaatschappij V2. Het werd V2 omdat men daar de toezegging deed dat White onder hun hoede zijn eigen label Third Man Records kon opbouwen – net als Madonna met haar Maverick-label bij Warner Music. Zo kan hij eigenhandig allerlei vrienden en collega's uit Detroit op weg helpen. ,,Binnenkort breng ik cd's uit van bands die ik zelf heb geproduceerd, zoals Greenhorn en Whirlwindheat.''

Solidariteit

Die behoefte om wegbereider te zijn voor anderen was de afgelopen decennia kenmerkend voor alternatieve Amerikaanse bands. Veel muzikanten runnen daar naast hun eigen groep ook nog een klein label om collega's op uit te brengen (zoals Steve Shelley van Sonic Youth met zijn Smells Like Records, of Grand Royal van The Beastie Boys). Het is een solidariteit die voortkomt uit het idee `je eigen wereld te creëren', met gewaardeerde bands die een alternatief kunnen vormen voor de mainstream. Het is een `typisch' Amerikaanse solidariteit.

Net zoals het typisch was voor Amerikaanse alternatieve bands om jarenlang rond te trekken langs het clubcircuit van eenenvijftig staten, voordat er iets van succes werd geboekt. Die tijden lijken nu dus voorbij. Net als in Engeland zitten ze er in Amerika inmiddels bovenop: de pers én de platenmaatschappijen. Zo kon een band als The Strokes al een sensatie zijn vóór de eerste cd in de winkel lag. De Nederlander Carlos van Hijfte, die sinds begin jaren tachtig agent is van Amerikaanse muzikanten als Sonic Youth en Steve Albini, noemt het `een ommekeer'. ,,Onder Amerikaanse muzikanten heerste van oudsher de ethiek van hard werken'', zegt Van Hijfte. ,,Veel touren, op de grond slapen bij kennissen en spelen, spelen, spelen. Eerst je eigen stad veroveren, dan de staat en vervolgens de omringende staten. En alle radiostations aflopen. Hier in Nederland ga je even naar Hilversum, daar moet je honderden zenders paaien voordat ze je plaatje draaien. Bands die dit traject zomaar overslaan, worden door de oudere garde met argusogen bekeken. Het hóórt niet.

,,Dat het nu anders gaat ligt voor een belangrijk deel aan de platenmaatschappijen, die niets meer willen laten liggen. Neem Soundgarden. Toen die band begin jaren negentig door een grote maatschappij werd ontdekt, opperde die maatschappij zelf dat Soundgarden eerst nog maar wat platen voor een klein label moest maken. Daarna konden ze doorgroeien naar de major. Dat soort langeretermijndenken bestaat niet meer.''

Jack White zoekt de oorzaak van de plotselinge successen vooral in schommelingen in smaak. ,,De smaak is veranderd. Ineens vinden de talent-scouts die garagemuziek weer leuk. En niet alleen van Amerikaanse groepen, ook van een Zweedse band als The Hives. Ik weet zeker, als iemand anderhalf jaar geleden dit soort muziek had laten horen aan een platenmaatschappij, dan was de reactie geweest: `wat een rommel'. Nu is het overal welkom. Ik verbaas me er ook over. Maar voor ons is het een gelukkig toeval. Ik noem het een happy accident.''