Wat ontzettend dom

Met de tentoonstelling `Buiten Zinnen' maakt Museum Boijmans van Beuningen ieder verschil tussen kunst en consumptiegoed ongedaan.

Loopt onze cultuur ten einde? Wie Buiten Zinnen, een geheel van zeven projecten in Museum Boijmans, serieus neemt en opvat als beeld van actuele tendensen in de hedendaagse kunst, moet concluderen dat dit het geval is. Het is een beeld van grote onverschilligheid: een beetje shoppen hier, een beetje browsen daar, geinige combinaties maken, en vooral de aard en de geschiedenis van de kunstwerken negeren. Het is een verglijden van cultuur naar stuff, naar kunstwerken als louter materiële verschijningsvormen en hebbedingetjes. Ieder verschil tussen kunst en consumptiegoederen is ongedaan gemaakt. De betekenis die de experimentele vermenging van high en low art had in de jaren zestig is hierbij allang verdwenen. Het is een hip spelletje van tentoonstellingsmakers die de kunst volledig ondergeschikt maken aan hun zogenaamd spitsvondige ideeën en niet willen weten dat dit geen onschuldig spelletje is.

In de brochures wordt Buiten Zinnen juichend aangekondigd als ,,een zinderende bloemlezing met een scala aan tentoonstellingen die een spannend parcours vormt door het museumgebouw.'' Om te beginnen met retinal.optical.visual.conceptual.Richard Hamilton, gemaakt door Sarat Maharaj. Dit had de belangrijkste tentoonstelling van dit voorjaar moeten zijn, als vervolg op de reeks tentoonstellingen (ooit geïnitieerd door de vorige directeur Wim Crouwel) gemaakt door gastconservatoren op basis van de vaste collectie van het museum. Hoogtepunten waren bijvoorbeeld de prachtige thema-exposities van Harald Szeemann en Hubert Damisch. Maharaj nam Duchamp als uitgangspunt en beperkte zich tot een zijzaal op de bovenverdieping. In vitrines stalde hij de notities uit Duchamps Green Box en White Box uit, in een andere vitrine optische instrumenten, en op een leestafel legde hij literatuur over Duchamp en Hamilton. Verder is een deel van de zaal gewijd aan de studies die Richard Hamilton maakte naar Duchamp: tekeningen, reconstructies, vertalingen van notities. Hamilton (1922), bekend geworden als Britse Pop-schilder, houdt zich al sinds de jaren vijftig intensief bezig met Duchamp.

Maharaj (1952), kunsthistoricus, geboren in Zuid-Afrika en sinds 1976 wonend in Londen, is een van de tentoonstellingsmakers in het team van Okwui Enwezor voor de komende Documenta. Hij is gespecialiseerd in het werk van Duchamp, Hamilton en James Joyce. Maharaj is geïnteresseerd in een anarchistische of dercdadaïstische epistemologie, geïnspireerd door de filosoof Paul Feyerabend, en in een reflexieve, ironische kunstpraktijk waarin het kunstwerk functioneert als ideeënmachine. Hier is uiteraard niets mis mee, en deze uitgangspunten hebben veel te maken met Duchamp. Maar of een dergelijke cerebrale, anti-visuele gerichtheid ook kan resulteren in een interessante expositie is de vraag. Maharajs tentoonstelling is in ieder geval ondoorgrondelijk. Maharaj vertelt ons niets over Duchamp, en Hamilton evenmin.

Diashow

Maar ook over de collectie van het museum vertelt Maharaj ons niets. Duchamp had, zoals bekend, een hartgrondige afkeer van wat hij `retinale kunst' noemde. Bijvoorbeeld de schilderijen van de Impressionisten: netvlieskunst van domme schilders, aldus Duchamp, kunst die niet verder reikt dan oppervlakkige sensaties van het oog. Ook het idee van authenticiteit en van een persoonlijke signatuur verwierp hij. Een reproductie was volgens Duchamp in principe even veel waard als een origineel. Maharaj heeft deze opvattingen letterlijk genomen en toont werken uit de collectie van Museum Boijmans op dia. Honderden dia's van schilderijen, van glas- en zilverwerk, van tekeningen enzovoort worden in willekeurige volgorde getoond, af en toe onderbroken door een dia met een kreet als opticalism of anti matter. Maharaj heeft met deze diashow aldus de hele beeldende kunst inderdaad gereduceerd tot de functie van de retina. De gevolgtrekking is dat al deze kunstwerken waardeloos zijn. En zo werkt het ook voor de bezoeker: het heeft geen enkele zin om de plaatjes te bekijken.

In de grote middenzaal maakte Carsten Höller (Brussel, 1960) een ervaringskunstwerk, grote lichtinstallatie, bestaande uit 3.456 gloeilampen op twee panelen in een hoek van de zaal. De lampen knipperen met een frequentie van 7,8 hertz, een frequentie die synchroon is aan de activiteit van de hersencellen. Op deze manier kunnen hallucinaties worden opgeroepen. Kennelijk ben ik resistent, want na tien minuten gebeurde er nog steeds niets.

Het werk van Maurizio Cattelan (Padua, 1960) bevindt zich op de afdeling oude schilderkunst in het Van der Steurgebouw. Het persbericht vermeldt dat dit werk `een sterke pointe heeft, die omwille van het effect beter niet van tevoren kan worden.' Met andere woorden, als de pointe `verraden' is, heeft het werk dus geen effect meer, en dat klopt. Cattelan zaagde een gat in de vloer, zette op de verdieping eronder een trapleer met een stapeling van dozen en een krukje erop, en daarbovenop een wassen beeld van zichzelf. Hij steekt met zijn hoofd uit de vloer en kijkt verrast om zich heen in de zaal `Hollands Burgerdom', met 19de-eeuwse schilderijen van onder meer Jan Kruseman en en Wijnand Nuyen. Dit infantiele beeld is de perfecte illustratie van het onbegrip van directeur Chris Dercon voor oude kunst. De hele schilderijenvleugel, waar een beroemde collectie hangt, is volkomen liefdeloos en plichtmatig ingericht. Dercon engageert zich op geen enkele manier met de oude kunst in zijn museum, zoals recentelijk ook bleek uit de kermis die hij om Jeroen Bosch meende heen te moeten bouwen. Geen wonder dat je dan op het idee komt om de collectie te laten opleuken met een ,,spraakmakende, scherpzinnige installatie, speciaal bedacht voor het museum'' (brochure).

Buiten Zinnen omvat ook een educatieve tentoonstelling voor jongeren, Talking to you! Hiertoe heeft het museum jongeren laten brainstormen over een aantal thema's als `Zonde' en `Seks'. Bij hun omschrijvingen zijn vervolgens kunstwerken gezocht. En zo kan het gebeuren dat bij de teksten `Teveel tijd aan je uiterlijk besteden' en `Je charmes voor verkeerde doeleinden gebruiken', naast een foto van een performance van Matthew Barney in de gedaante van naakte satyr, ook het kleine schilderij hangt van Christus in de gedaante van Salvator Mundi van Dirck Bouts (ca. 1450-'75). Inderdaad, Christus heeft glanzend krullend haar. Maar waaróm hij als Redder van de Wereld op deze manier – en profil, streng symmetrisch en ons recht aankijkend – geschilderd is, daar komt geen enkele jongere achter. Bij de tekst `Zo sexy mogelijk' zien we een devotiebeeld, een klein paneel van 33 x 25,5 centimeter, van een Maria met Kind, eind 15de eeuw, van de Meester van Khanenko, een navolger van Hugo van der Goes. De schilder heeft Maria zo mooi mogelijk gemaakt, en zij heeft een volle, ronde borst die zij het kind aanbiedt. Dit soort schoonheid is complex: verleidelijkheid ja, perfectie, Maria is immers de moeder van God en de koningin van de hemel. Het begrip sexy is in dit verband plat en irrelevant. Zou er een jongere zijn die op deze manier zelfs maar een begin van een vermoeden zou kunnen krijgen van de gelaagdheid en rijkdom van dit soort schilderkunst?

Sekssymbool

Kunstwerken uit de kast trekken en ze tot plaatjes nivelleren, dat is precies het tegenovergestelde van wat educatie is. Educatie is kunstwerken vanuit de geschiedenis inzichtelijk maken, maar hier is het andersom: de vrijblijvende associaties van jongeren – hoe kunnen die associaties ook anders dan vrijblijvend zijn, jongeren hebben immers geen levenservaring – op kunstwerken loslaten, en dat is het dan. Mocht je voor jongeren de deur willen sluiten naar een begrip van wat kunst is, dan is dit de juiste manier. En als nu dus een Rotterdamse schoolklas deze tentoonstelling bezoekt, en een Turks of Marokkaans kind zegt 's avonds tegen zijn vader: ,,Pap, de god van de christenen is een sekssymbool'', dan is dat wat het kind die dag in het museum heeft geleerd. En als dus vervolgens moslimfundamentalisten zeggen dat onze cultuur decadent is en verloederd, dan hebben ze helemaal gelijk.

Het is de taak van een museum als Boijmans en van de tentoonstellingsmakers om de eeuwenlang vergaarde kennis van de kunst te bewaren en te ontsluiten voor het publiek, en om op basis hiervan een debat over de hedendaagse kunst te entameren. Er zijn echter mensen die denken dat dit delen, dit communiceren, van de eigen culturele verworvenheden met een publiek afkomstig uit andere culturen moet gebeuren door het overboord gooien van die verworvenheden. Ook Maharaj gelooft dit; in een interview in het Amerikaanse tijdschrift Artforum zegt hij dat, om met elkaar in gesprek te komen óver de grenzen van culturele verschillen heen, een meltdown of one's intellectual frame nodig is. Wat een treurig misverstand en wat ontzettend dom. Alleen wie zich bewust is van de eigen geschiedenis en van de eigen culturele waarden kan een gesprek aangaan met mensen uit een andere cultuur. Het te grabbel gooien van de eigen cultuur, zoals nu te zien is in Boijmans, is louter destructief.

`Buiten Zinnen, zeven presentaties' is tot 21 april te zien in Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Open: diza 10-17 uur, zo 11-17 uur. Informatie: www.boijmans.nl.