Vraagteken, beeld, uitroepteken, beeld, etc.

Opgetogen is Peter Handke in de herfst van 1986. In zijn logboek, uitgebracht onder de titel Am Felsfenster morgens (1998), noteert hij: `Mein Epos: Der Bildverlust!' In de dagen die volgen legt hij invallen vast over het probleem van `het beeld', over de waarneming en over het gevaar van `beeldverlies'. Maar het schiet niet op en ongemerkt raakt het project op een zijspoor.

Eerst moeten andere boeken af. Titels als Nachmittag eines Schriftstellers, Die Abwesenheit en Die Wiederholung: belangrijke bijdragen aan zijn faam als bewustzijnsgoeroe der Duitse letteren. Handke leeft er zijn obsessie voor het mysterie van de drempelervaring in uit. Hij schrijft over een wereld die vol ligt met drempels. Ze kunnen genegeerd worden en men kan gerust een oppervlakkig leven leiden, zoals het gros van de mensen dat doet, maar men kan ook proberen het wezen van die drempels te ervaren, en proberen ze te overschrijden. De drempelervaring heeft een sterk meditatief element, iets dat een weg zou kunnen wijzen uit de `ratrace' van het consumptiekapitalisme. Voor wat men daarbij nodig heeft, kan men bij zichzelf terecht: aandacht en tijd voor bezinning.

Een zetje in de goede richting vindt Handke bij zijn landgenoot Adalbert Stifter die, ruim een eeuw eerder, verhalen vulde met eindeloze landschapsbeschrijvingen. Het was zaak, begreep Handke na lezing van Stifters Kalkstein, om observaties gedetailleerd te houden en ze van commentaar te ontdoen. `Een landschap is niet lelijk, je moet het alleen maar goed bekijken.' Handeling als grondstof van literatuur verschoof naar het tweede plan. In toenemende mate begonnen ontheemde personages het Handke-universum te bevolken, figuren die door een ontaarde schrijversvader aan hun lot werden overgelaten omdat hun avonturen hem bij lange na niet zo interesseerden als de omgeving waarin zij zich bewogen.

Waar moest dat heen? Niet naar zoiets conventioneels als een epos, zou je denken, want in dat geval zou de schrijver zijn lezers toch gaan vergasten op verhalend proza met een kop en een staart. Als een veldheer zou hij dan boven een maquette van het slagveld staan, personages met een aanwijsstok heen en weer schuiven, ze laten botsen op andere, en voor je het weet zouden ze in een intrige verstrikt raken. Dat is niets voor een trance-schrijver als Peter Handke.

Maar zoals een roman elke denkbare vorm kan aannemen, kan ook een epos in elke gewenste richting ontsporen. Blijmoedig demonstreerde Handke dat met Mein Jahr in der Niemandsbucht (1994). Volgens de inhoudsopgave bevat die duizend bladzijden dikke pil allerlei `verhalen', maar in feite rijgt de verteller alleen indrukken en sensaties aaneen, en is er geen verhaal dat de moeite van het navertellen waard is.

Acht jaar later blijkt de Niemandsbucht de logge opmaat voor Der Bildverlust, een roman die als genadeklap voor het klassieke vertellen bedoeld is. Handke introduceert een soort doorgeef-perspectief dat grote verwarring sticht. Vaak moet de lezer er maar een slag naar slaan wie op een bepaald moment het woord voert. Dat klinkt vreemd, maar methode heeft het wel. Al in het logboek van de jaren tachtig valt het na te lezen: `De beelden mogen, op welke manier dan ook, uitlegbaar zijn; maar belangrijker dan alle interpretaties zullen voor mij altijd de beelden zelf zijn.'

Kort samengevat gaat Der Bildverlust – ruim 750 bladzijden vol met scènes en taferelen, met overpeinzingen en uitzichten – over de reis van een succesvolle zakenvrouw naar het Spaanse La Mancha. Ze heeft de gewoonte om aan netelige situaties te ontsnappen door `beelden' voor zich te zien. Die beelden roept ze niet bewust op; ze overvallen haar, maar wel altijd op het juiste moment. Belagers worden erdoor ontregeld omdat ze merken dat de vrouw `boven de situatie staat'. Het is een openheid in haar blik die maakt dat alle vijandschap verdwijnt. Het beeld, van welke aard ook, betekent vrede.

De vrouw is de hoofdpersoon, maar niet minder belangrijk is de schrijver die zij heeft ingehuurd voor een biografie. Steeds is hij met haar in onderhandeling over de wijze waarop hij haar moet portretteren. Het is hem bijvoorbeeld verboden om exacte persoonlijke gegevens op te schrijven. Hoe ze heet, waar ze woont, bij welke bank ze haar topfunctie heeft: het blijft allemaal buiten beschouwing.

En als er per ongeluk wel eens data doorsijpelen is dat alleen maar een aardige gelegenheid om uit te weiden over de problematiek van het vertellen. Waarover kan de schrijver wèl vertellen, en waarover dient hij stilzwijgen in acht te nemen? Dat gedelibereer gaat tot in het absurde en overspoelt de lezer met keuzeproblemen waar hij niets aan heeft. Wanneer de auteur een uitroepteken doorstreept, staat er krankzinnig conscientieus: `Toen streepte de auteur het uitroepteken door.'

Onderweg lijkt de vrouw ooggetuige van een moord te zijn, maar het kan ook zijn dat ze niets heeft gezien. Op een bepaalde avond bedrijft ze de liefde, maar het kan ook zijn dat ze helemaal niet aan vrijen toekomt. Zeker is wel dat de vrouw van wandelen houdt, net als Handke zelf. En als ze wandelt is `de wijze van haar lopen uniek. Ze liep. Ze liep met alles wat ze had, de zolen, de knieholten, de kuiten, het geslacht (ja), de buik, de schouders, met mond, neus en oren, en met alles tegelijk; alles moest lopen en moest tegelijk lopen.' Ondanks die schijnbare precisie in de beschrijving van haar manier van lopen wordt de vrouw er niet tastbaarder, werkelijker door. Om over de mogelijkheid van identificatie maar te zwijgen.

Vraagtekens, ontelbaar veel vraagtekens larderen de tekst, en antwoorden blijven uit of vergroten alleen maar het raadsel. Stuit je op een geslaagde passage, dan is het schrikken. Ergens steekt iemand een sigaret aan, woedend, alsof er een brandstapel moet worden ontstoken. De aansteker klikt knallend en de vlam laait hoog op. Maar dan vervliegt hij, zoals dat het hele boek door met de mooiste beelden gaat. Ze vervliegen en keren niet weerom.

Peter Handke: Der Bildverlust. Suhrkamp, 759 blz. €29,90