Voor populisten is niets zo riskant als regeren

In steeds meer Europese landen worden de gevestigde politieke partijen geplaagd door populisme. In Italië en Oostenrijk zitten populisten in de regering. Elders vormen ze een niet meer te negeren kracht in het parlement.

Het inmiddels veelbesproken wegkijken van PvdA-leider Ad Melkert tijdens het lijsttrekkersdebat woensdagavond kan symbool staan voor de reactie van veel traditionele politieke partijen in Europa op de opkomst van het populisme. Het is een lastig dilemma. Politici hebben het gevoel zich bij populistische collega's op drijfzand te begeven en kunnen moeilijk accepteren dat daarop een regering zou worden gebouwd. Dus besluiten ze, zoals in België, een cordon sanitaire rondom het populistische Vlaams Blok te leggen, een gezonde afstand te bewaren. Want wie populisten omarmt, zeggen in Europa veel politici, dreigt hun partij niet alleen verantwoordelijk, maar ook respectabel te maken.

Liever koesteren ze zich in de hoop de dat bui overdrijft. En soms, zoals in Frankrijk, lijkt dat ook te gebeuren. Het Front National – misschien wel iets te extreem-rechts om zonder meer `populistisch' te heten is door niemand echt serieus genomen. Het viel in 1999 na onderling gekissebis zomaar uiteen in twee splinters. Jean-Marie Le Pen wenste trouw te blijven aan het extreme gedachtegoed. Zijn opponent, Bruno Mégret, hoopte met een wat netter imago de eeuwige oppositie op den duur vaarwel te kunnen zeggen.

Maar in de meeste landen heeft het op afstand houden van populisten averechts gewerkt. Het biedt partijen de mogelijkheid om zich als slachtoffer van de macht te presenteren en tegen die verdrukking in gestaag te groeien. Aversie tegen traditionele partijen, die maar niet willen luisteren – de Altparteien zoals de Oostenrijkse FPÖ-leider Jörg Haider ze graag een tikje denigrerend noemt – is een belangrijk thema voor populisten.

Sterker nog, het is strikt genomen de basis van hun bestaan. In de populistische analyse van de werkelijkheid regeert een kleine, machtige elite over het volk, zonder goed naar datzelfde volk te luisteren. De populisten daarentegen weten, zeggen ze, wat `de mensen' bezighoudt. Zij, en niet de `oude partijen', zijn de stem van het volk. Bij hen komt daarom het `Eigen Volk eerst', in de woorden van het Vlaams Blok. Bij hen is `Denemarken van de Denen', zoals de Deense Volkspartij het zegt. Bij hen is het `Voorwaarts Italië', zoals Silvio Berlusconi zijn politieke partij noemde.

Toen Wolfgang Schüssel, leider van de Oostenrijkse conservatieven, twee jaar geleden besloot een einde te maken aan dit negeren en na mislukte maandenlange coalitiebesprekingen met de sociaaldemocraten toch in zee ging met de FPÖ, was Europa in rep en roer. De verontwaardiging leidde tot een diplomatieke boycot. Als Oostenrijk weigert het populisme buiten de deur te houden, leek de redenering, dan houden wij Oostenrijk voorlopig maar buiten de deur.

Maar die boycot pakte totaal verkeerd uit. Er ontstond een patstelling waar niemand zich meer gelukkig bij voelde. De boycot bood daarentegen Haider en de zijnen de kans om zich te blijven presenteren als slachtoffer van een machtige politieke elite, die de democratische uitspraak van de Oostenrijkse kiezer negeerde.

De boycot bewees, volgens Haider maar ook volgens populisten elders in Europa, dat de politieke elite alleen maar verder van het volk af is komen te staan. Niet alleen de hoge heren in Wenen bemoeiden zich met Oostenrijk, maar ook Parijs, Brussel, Helsinki en Lissabon. Voor populisten was en is het sindsdien prijsschieten op Europese instituties. Umberto Bossi van de Italiaanse Lega Nord, de kleine populistische coalitiegenoot van Berlusconi, deed het deze week nog. Hij noemde de Europese Unie ,,het nieuwe fascisme'' – en werd niet tegengesproken door zijn premier. In Denemarken verzet de Deense Volkspartij zich met hand en tand tegen overdracht van bevoegdheden aan Brussel (,,stem Deens, stem nee'') en de Zwitserse Volkspartij tracht de neutraliteit van Zwitserland mythische proporties te geven.

Oostenrijk is nu twee jaar verder en de FPÖ heeft het land niet de vernieuwing gebracht die partijleider Haider had beloofd. Zeker, in Oostenrijk is een coalitie die niet bestaat uit sociaal-democraten en conservatieven de eerste in decennia – op zichzelf al vernieuwend. Maar aan de typisch Oostenrijkse vriendjespolitiek van regeringspartijen die elkaar hoge bestuurlijke functies toeschuiven een doorn in de oog van de FPÖ toen die nog oppositie voerde is geen einde gekomen. Ook de FPÖ weet zijn partijleden te vinden. Oostenrijk is evenmin veel veiliger geworden, het immigratievraagstuk is niet opgelost en ook op andere terreinen is het beleid niet noemenswaardig anders.

Niets blijkt dus zo riskant voor populistische partijen als regeren. In de oppositie hoeft de haalbaarheid van uitspraken en plannen niet te worden getoetst aan de taaie realiteit. Immigratie indammen en de veiligheid van de burger garanderen de twee speerpunten van Europees populisme – is mogelijk, zolang er maar niet geregeerd hoeft te worden. De FPÖ beseft dat en regeert daarom maar half. De andere helft, aangevoerd door Jörg Haider zelf, die niet in de regering zit maar achter de schermen de touwtjes van zijn partij nog stevig in handen heeft, voert oppositie. Niet de sociaal-democratische partij, maar Jörg Haider is de echte criticus van het huidige regeringsbeleid.

Die halfslachtige houding bestaat ook elders. In Zwitserland zit de Zwitserse Volkspartij van Christoph Blocher weliswaar in de regering. Maar Blocher voert intussen via de `directe democratie' oppositie tegen het beleid (zoals onlangs in het door hem overigens verloren referendum over toetreding tot de Verenigde Naties) Maar zelfs als populisten, zoals in Italië, het alleen voor het zeggen hebben, lijft de verongelijktheid bestaan. Silvio Berlusconi doet iedere kritiek op zijn beleid af als een persoonlijke aanval en een poging van links om hem beentje te lichten.

In landen als Denemarken en Noorwegen genieten populisten de comfortabele luwte van de oppositie. Ze gaan te keer tegen een regering die de kraan steeds verder openzet voor `buitenlanders' en die niks doet aan het toenemende geweld op straat. Ze bieden aantrekkelijke oplossingen die niet aan de realiteit getoetst hoeven te worden. Ronald Schill, de `genadeloze rechter' die vorig jaar in de Hamburgse politiek ineens uit het niets opdook, wilde zijn stad weer veilig maken en beloofde 2000 extra politiemensen. Er zijn tot nu toe, op tijdelijke basis, twintig agenten bijgekomen en er worden er nog 500 in het vooruitzicht gesteld.