Tragiek van de boerenbond

Tijdens de wederopbouw werden de boeren en hun bonden oppermachtig. In zijn boek over 75 jaar Christelijke Boeren- en Tuindersbond beschrijft historicus Rolf van der Woude de opkomst en neergang van een bolwerk in de landbouw.

Tot begin jaren negentig hadden de Nederlandse boeren ongekend veel macht. Berucht was het Groene Front – de `IJzeren driehoek' tussen de drie grote boerenbonden, politici en het landbouwministerie. Dit front wist Nederland op te stuwen tot derde exporteur van landbouwproducten – een enorme prestatie voor zo'n klein landje. Maar het wist ook torenhoge subsidies voor de boeren los te weken en effectieve mestwetgeving twintig jaar af te houden.

Met de neergang van de landbouw zijn de laatste paar jaar een paar studies verschenen die samen een ontluisterend beeld geven van het functioneren van dit Front. Voor de buitenwereld leek het Front met één stem te spreken, en die stem zei: boeren moesten gecompenseerd worden voor de almaar dalende landbouwprijzen. En het mestprobleem was, áls het al bestond, technisch op te lossen. Maar in feite was het Front hopeloos verdeeld; alleen groepsmechanismen als sociale controle en strakke hiërarchiën hielden de eenheid naar buiten toe in stand. Historicus Rolf van der Woude voegt hier nu een gedetailleerd werk toe. In ruim zeshonderd bladzijden beschrijft hij 75 jaar geschiedenis van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB), een van die drie grote. Deze bond had in 1994, het jaar van opheffing, nog steeds 60.000 leden.

De tragiek van de boerenbond was de diepe kloof tussen de grote, gemoderniseerde boeren uit wiens gelederen de bestuurders kwamen, en hun kleine, minder gemechaniseerde collega's. Veel van de bondsbestuurders vonden dat er voor deze `traditionele' boeren geen toekomstperspectief meer was. Massale bedrijfsbeëindigingen zouden ook beter zijn voor de sector, vonden zij, want de overproductie moest een halt toe worden geroepen. Tot de jaren zestig konden de bondsbestuurders dit ook nog openlijk zeggen. De bond had toen zelfs nog `voorlichters' in dienst die de gezinnen moesten voorbereiden op bedrijfsbeëindiging en omscholing. Maar met het groeien van de melkplas, boterberg en graanberg werd dit standpunt voor bestuurders steeds moeilijker. De druk van de actievoerende leden, die wilden dat hun voormannen lobbyden voor prijscompensatie en subsidies, nam toe. Met als uiteindelijk gevolg dat de bondsbestuurders in feite lobbyisten werden en tegen de achterban niet veel meer durfden te zeggen over de noodzaak van milieumaatregelen.

De verdienste van Van der Woude is dat hij de ontwikkeling binnen de bond gedetailleerd en in prettig leesbare stijl beschrijft. Duidelijk uit zijn studie wordt ook dat de boerenbond veel meer deed dan belangenbehartiging: het zette ook landbouwonderwijs en voorlichting op, en speelde een belangrijke rol in het dorpsleven. Daarmee haalt hij een belangrijk stukje plattelandsgeschiedenis naar boven. Maar juist wat betreft die verdeeldheid tussen de bestuurders en veel van de leden, had de auteur wel wat explicieter mogen zijn – over emoties bijvoorbeeld. Zo moeten bondsbestuurders ook gewoon bang zijn geweest voor de leden. Van der Woude beschrijft bijvoorbeeld wel hoe bondsbestuurder Mertens (overigens van de katholieke boerenbond) op 10 augustus 1974 tijdens een groot boerenprotest in Utrecht joelend en fluitend werd weggehoond door dertigduizend boze boeren, waarvan de voorsten hem ook met stokken wilden slaan, omdat hij in het Algemeen Dagblad had durven verklaren dat dertig procent van het aantal boeren zou moeten verdwijnen.

Maar kwamen bedreigingen niet vaker voor dan uit zo'n enkel aangehaald, openbaar voorval blijkt? In De corrosie van een ijzeren driehoek van journalist Leo Klep e.a, een boek op basis van dertig interviews met voormalige `Groene Frontbestuurders', vertellen geïnterviewden (anoniem overigens) dat zij – bondsbestuurders, hoogleraren, ambtenaren – eenvoudigweg na afloop van een bijeenkomst door een stel boeren konden worden opgewacht als ze daar iets over gevoelige onderwerpen als het milieu durfden te zeggen.

In dat boek is ook te lezen dat een CBTB-bestuurder in de notulen van een vergadering moest lezen dat hij zou worden afgezet. Toen hij opheldering vroeg bij zijn vriend en collega die de vergadering had voorgezeten, excuseerde deze zich met het argument dat hij de motie door had laten gaan onder bedreiging van – letterlijk – een mes in zijn rug. Van der Woude had dit verontrustende verhaal in ieder geval kunnen checken.

Op hun beurt waren ook die boze boeren goed te begrijpen. Maar ook hier is Van der Woude te braaf. Nergens bekritiseert hij het dogma van de `modernisering'. De bondsbestuurders streefden, met de dominante politici, de dominante Wageningse hoogleraren en de dominante ambtenaren naar grotere bedrijven met meer technologie en hogere productie.

Terwijl volgens veel leden juist deze modernisering de oorzaak was van de malaise: de dalende prijzen en de toegenomen afhankelijkheid van banken en agro-industrie. De vraag of het nu echt zo vanzelfsprekend was dat speciaal de kleine, minder gemechaniseerde boeren moesten verdwijnen, komt niet aan de orde. Blijkbaar was dat, opvallend genoeg, nooit een punt van discussie binnen het bondsbestuur. Blijkbaar voor de auteur evenmin.

Het zou flauw zijn om de braafheid van de auteur te wijten aan het feit dat de studie is geschreven in opdracht van de inmiddels opgeheven bond. Waarschijnlijk zijn zijn belangrijkste bronnen – saaie stukken uit bondsarchieven – er debet aan. Meer interviews met leden had wellicht een verhaal opgeleverd waarin de tragische verdeeldheid binnen de bond voor de lezer duidelijker werd.

Op goede gronden, Geschiedenis van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond 1918-1995, door R. van der Woude, uitg. Hilversum Verloren, 2001 ISBN 90-6550-673-x. De corrosie van een ijzeren driehoek, Over de omslag rond de landbouw, door G. van Dijk, L. Klep, A. Merkx, uitg. Van Gorcum, 1999, ISBN 90-23235487.