Tijd is een belemmering

Tsai Ming-liang veroverde zijn publiek met intieme films over eenzaamheid. Zijn nieuwste gaat over dode vaders.

Zijn films heeft zijn vader nooit gezien, want in het jaar dat Tsai's debuut Rebels of the Neon God (1992) uitkwam overleed hij. En nu, bijna tien jaar later, droeg Tsai Ming-liang een film aan zijn vader op: What Time Is It There? Tijdens een bezoek aan Amsterdam vertelt hij dat hij wist dat de tijd was gekomen om een film voor zijn vader te maken, toen tijdens de productie van zijn vorige film The Hole (1999) de vader van zijn vaste acteur Lee Kang-sheng zelfmoord pleegde. Tsai noemt deze acteur die in al zijn vijf films zijn alter ego Hsiao Kang speelt vaak bij die bijnaam en soms zegt hij `we' als hij `ik' bedoelt of `hij': ,,Toen we The Hole draaiden, overleed Hsiao Kangs vader en daarom hebben we de begrafenisrituelen heel snel afgewikkeld. Een jaar later besefte ik, ik was onderweg naar een filmfestival, hoe droevig zijn gezicht eruit zag. Toen wist ik dat ik een film wilde maken over reizen en overleden vaders. Over wat de dood betekent voor mensen die verder leven. Dat is What Time Is It There? geworden.''

Tsai Ming-liang (Maleisië, 1957) is een van de vooruitstrevendste filmmakers die de Taiwanese cinema de afgelopen jaren naar het westen bracht. Hij veroverde zijn gestaag groeiende publiek met intieme, wonderschone films over droevige thema's, zoals eenzaamheid en de onmogelijkheid om contact met de wereld te maken, met geliefden, ouders en vrienden. Dat komt niet alleen uit een onvermogen van zijn hoofdpersonen, vaak een slecht functionerend gezin bestaande uit vader, moeder en zoon, maar ook door die wereld zelf. Een zieke, vergiftigde, besmettelijke, onbegrijpelijke wereld. In The River (1997) stroomde een vervuilde rivier, in zijn millenniumfilm The Hole viel verwoestende regen. Zijn personages waren, als de hoofdfiguren uit toneelstukken van Samuel Beckett, gedwongen tot het tot in de eeuwigheid herhalen van zinloze handelingen. Zo idioot soms dat er om de films van Tsai steeds meer te lachen viel. Een lach van herkenning. Hij is geen filmer die je suïcidaal in de donkere zaal in de steek wil laten, bevestigt hij ook nu ter gelegenheid van What Time Is It There?: ,,Film kan voor je gevoel de tijd overwinnen en tegelijkertijd weet je dat dat een illusie is. Je weet dat je jezelf voor de gek houdt en toch heb je er behoefte aan. Dat gevoel van hoop leeft heel sterk in mij. Al mijn films gaan over de omgang met een wereld die hopeloos is. Dat kan alleen als je tegen beter weten in gelooft dat het niet zo is.''

Hij wilde altijd ook nog eens een film maken met een personage gebaseerd op een vriend, die horlogeverkoper in Singapore is. ,,Om hem heen is alles alleen maar tijd. Je ziet overal horloges en klokken. Ik kan me niet voorstellen dat hij tien jaar op zo'n plek kan werken, zonder de vrijheid om zijn eigen tijd in te delen.'' En dus werd Hsiao Kang, die in What Time Is It There? al in de eerste scène zijn vader verliest, horlogeverkoper. Zo simpel werkt het voor Tsai, al vindt hij het achteraf moeilijk om te reconstrueren hoe zijn scenario precies tot stand is gekomen: ,,Ik ben het meest geïnteresseerd in karakters die net als ik in een toestand van vaagheid verkeren, een soort vacuüm waarin je niet precies weet waar je in het leven bent. Mijn personages toon ik ook altijd op momenten dat er niets speciaals aan de hand is. Dan zie je heel direct hoe iemand is als hij op zichzelf wordt teruggeworpen.''

Het gebruik van de voor Tsai typerende vaste camera en lang aangehouden shots hoort daarbij: ,,Dat geeft de toeschouwer de tijd om rustig zelf te ontdekken wie die mensen zijn. Je moet wachten. En misschien gebeurt er soms niets, maar het is aan het publiek om die conclusie te trekken. Zelf vind ik die momenten waarop er ogenschijnlijk weinig gebeurt het interessantste om naar te kijken.''

Horloge

Tsai's hoofdpersoon komt in What Time is It There? juist tegen die afwachtende levenshouding in verzet. De dag na de dood van zijn vader verkoopt hij een horloge aan een meisje dat op het punt staat naar Parijs te vertrekken. Zij maakt diepe indruk op hem. Terwijl zijn moeder tot in het absurde houvast zoekt in de rituelen om haar echtgenoot in alle rust te laten overgaan naar een ander bestaan, raakt haar zoon geobsedeerd door Parijs. Als een bezetene trekt hij door Taipei om alle klokken daar gelijk te zetten met die in Parijs en in de videotheek huurt hij François Truffauts semi-autobiografische debuutfilm Les quatre cents coups (1959) om de stad Parijs te leren kennen. En om de tijd die hem van het meisje, zijn vader en zijn moeder scheidt op te heffen, te overwinnen. De tijd van de levenden en de doden.

,,Aanvankelijk wilde ik Hsiao Kang filmen als een held die het opneemt tegen tijd en ruimte. Maar uiteindelijk laat ik zien dat hij daarin faalt, dat niemand in staat is de tijd te beheersen. Zijn wanhopige pogingen om de tijd naar zijn hand te zetten zijn zieke, repeterende handelingen die nergens toe leiden. Tijd is een meedogenloos feit, een belemmering. Iedereen heeft zijn eigen tijd. De doden en de levenden. Dat creëert een afstand: je kunt niet in iemand anders tijd komen.''

Het geworstel met de tijd is tragisch en komisch tegelijk. Als een Taiwanese Harold Lloyd zeult Hsiao Kang met enorme klokken rond. En ook de dode vader laat zich niet onbetuigd. Hij manipuleert vanuit zijn onstoffelijke staat de aardse tijd en schopt zo de rouwrituelen in de war. Tsai zegt door rouwrituelen gefascineerd te zijn: ,,Meestal als ik een uitnodiging voor een bruiloft krijg, ga ik niet, maar naar een begrafenis ga ik wel.'' Lachend: ,,Dat past ook beter bij mijn aard!''

In het leven van Chinezen zijn rouwrituelen heel belangrijk, legt hij uit. ,,Om te beginnen geloven bijna alle Chinezen nog dat reïncarnatie bestaat. Zelfs als ze het niet echt geloven. Als iemand is overleden, realiseert hij zich pas op de zevende dag na zijn dood dat hij gestorven is. Zijn eerste gedachte na zijn dood is: ik ga nu naar huis. Daarom zijn die eerste zeven dagen erop gericht om de geest te verwelkomen en te troosten. De familieleden zetten hapjes en eten neer dat hij het allerlekkerste vond. Na 49 dagen moet de geest weggaan. In die periode eet men ook geen vlees, want misschien is de overledene wel gereïncarneerd als vlinder of vogel.''

Geesten en spoken zijn het gesprek van de dag. Dat heeft ook iets beangstigends legt Tsai uit: ,,Toen mijn eigen vader was overleden, was ik bijvoorbeeld heel erg bang voor het donker. Net als een kind. Ik durfde 's nachts niet eens naar buiten om te plassen. Dat Hsiao Kang in de film 's nachts in plastic flessen en zakken plast is dan ook uit mijn eigen ervaring afkomstig. Een vriend van mij vertelde dat hij na de dood van zijn moeder elke nacht in bed ging liggen met de dekens over zijn hoofd, zo bang was hij voor hoe zij terug zou komen. Je weet namelijk niet hoe de doden zullen terugkomen. Die angst voor het onbekende is een heel reëel gevoel. Al doet het achteraf ook nogal surrealistisch aan.''

Verzoening

Tsai laat de spoken van het verleden tot leven komen in Parijs en brengt zo een verzoening tussen al die verschillende tijden teweeg. Het meisje op wie de hoofdpersoon verliefd is geworden beleeft zonder dat zij het van elkaar weten dezelfde soort dingen als hij. Terwijl hij in het donker van zijn kamer keer op keer naar de video van Les quatre cents coups kijkt, ontmoet zij de veertig jaar oudere hoofdrolspeler uit die film, Jean-Pierre Léaud, op een begraafplaats in de Franse hoofdstad. Truffauts debuutfilm was een van de eerste westerse films die Tsai zag, vertelt hij. Hij voelt een grote verwantschap met de regisseur, maar niet om diens experimenten. ,,Ik herken bij Truffaut vooral een diepe gevoelswereld. Als geen ander heeft hij die eigen wereld en die eigen gevoelens kunnen filmen. Neem bijvoorbeeld het begin van Les quatre cents coups, als hij uit al die verschillende hoeken de Eiffeltoren filmt. Dat is een beeld wat in zoveel Franse films voorkomt. Maar bij Truffaut heb ik echt het gevoel dat hij naar de Eiffeltoren heeft gekeken. Dat hij hem heeft gefilmd omdat hij er elke dag langs liep.''

Toch werd niet de Eiffeltoren Tsai's symbool voor Parijs, maar het gezicht van de ouder geworden Léaud. ,,Antoine, de hoofdpersoon uit Les quatre cents coups, ligt heel dicht bij mijzelf. Door zijn zwerftochten door Parijs heb ik me ooit minder eenzaam gevoeld.''

Het werd voor Tsai onvermijdelijk om Taipei te verlaten en in Parijs te gaan filmen. ,,Niet als een toerist. Ik hou er sowieso niet van om met mijn ogen te filmen. Het gaat erom wat ik met mijn hart film. Het leukste van Parijs vind ik de metro, dus daar ben ik begonnen. En van daaruit ben ik omhoog gegaan, naar de lobby van het hotel waar actrice Chen Shiang-chyi verbleef. Het heeft lang geduurd voor ik naar buiten durfde.''

Ook dat weerspiegelt zijn eigen ervaring: tijdens de voorbereiding van zijn film huurde Tsai een maand een appartement in Parijs om de stad te leren kennen. Hij lacht: ,,In Parijs heb ik vooral mezelf leren kennen.''

Het was tijdens het WK voetbal van 1998 en Parijs hing vol met vlaggen en luidsprekers. ,,Vlak bij mijn appartement was een levensgroot scherm opgehangen waarop men de wedstrijden live kon volgen. Er was gejoel te horen en na elk doelpunt claxonnerende auto's. Ik ging bijna niet naar buiten omdat al die herrie en die uitgelaten mensen me intimideerden. Ik kwam er achter dat ik niet zo'n ontspannen persoon ben, die zich makkelijk onder de mensen begeeft. Maar ik kwam er ook achter dat ik overal zo'n beetje hetzelfde ben. Net zoals Chen Shiang-chyi ging ik bijvoorbeeld ook bijna nooit in een restaurant eten omdat ik de menukaart niet begreep.''

,,Voor mensen uit Azië is Parijs hét symbool voor romantiek. Iedereen denkt dat hij daar iets moois gaat meemaken, een grote passie beleven. Maar in mijn beleving waren de Parijzenaren juist heel kil.''

Zijn sterkste herinnering aan Parijs bewaart Tsai Ming-liang daarom aan een blik uit zijn dakraam: ,,De wolken! Losse wolken zie je bijna nooit in Taipei.''

`What Time Is It There?' is te zien in de filmtheaters.