Tekenaar aan boord

`Gants onnut ende onbequaem', zo luidde het oordeel over onderstuurman Joris Joostensz Laerle op 13 oktober 1601 in het scheepsjournaal van de Gelderland. Dit schip, dat bij Mauritius voor anker lag, maakte deel uit van een Nederlandse vloot van vijf koopvaarders die op weg was naar Azië. Naar huis sturen kon men Laerle niet en de scheepsraad besloot hem te vervangen door een bootsman die wel wist `saecken die de scheepsdingen belangende syn'. Joris Laerle werd assistent in algemene dienst en kreeg de opdracht het scheepsjournaal te voorzien van afbeeldingen.

De meer dan honderd tekeningen van kusten, havens en dieren die dat opleverde, zijn nu voor het eerst integraal gepubliceerd en wel in deel 100 van de Werken van de Linschoten-Vereeniging, onder de titel Dodo's en Galjoenen. Het boek bevat ook een aantal contemporaine teksten over de reis van de Gelderland.

Op 29 december 1601 wist admiraal Wolfert Harmensz op de rede van Bantam met zijn vijf schepen een Portugese scheepsmacht van dertig vaartuigen, waaronder acht galjoenen, te verslaan. Daarmee was een belangrijke stap gezet op weg naar de hegemonie van de Hollanders in de Indische archipel. De VOC, die kort daarna werd opgericht, maakte daar dankbaar gebruik van.

De tekst van het scheepsjournaal beperkt zich tot een beschrijving van de wind, de koers en de positie van het schip, maar de band waarin dit dagregister is bijgehouden bevat ook uitvoeriger teksten over gebeurtenissen tijdens de reis. Fascinerend is de lange beschrijving van een `duiveluitdrijving' bij een matroos uit Lutjebroek. Al voor zijn vertrek naar de Oost was deze Jan Lambertsz, ergens tussen Hoorn en Enkhuizen, met de duivel in contact gekomen. In een boomgaard had Satan, onder het genot van `eenige cannen biers', getracht hem in zijn macht te krijgen. Lambertsz verzette zich en sinds die tijd had de duivel hem niet met rust gelaten. Midden in de Indische Oceaan moest dankzij de gebeden van de ziekentrooster en andere opvarenden Satan het onderspit delven. Kort daarop sprak de bezetene de woorden: `Godt loff ick ben hem nu gants quyt', waarop de hele bemanning op de knieën viel en spontaan een psalm aanhief.

Het handschrift schijnt de bezorger hier en daar problemen te hebben opgeleverd; er zijn nogal wat onbegrijpelijke woorden en passages, die niet worden toegelicht. Vlogen er echt `micluwen' boven zee, of waren het misschien `mieuwen' (meeuwen), en zou het misschien zo zijn dat een bepaalde vis zich enige keren `vertoende' (vertoonde), en niet `vertrende'?

Belangrijker dan de tekst zijn de afbeeldingen, alle in kleur. De kusten en havens doen denken aan de landverkenningen die vaker in journalen te vinden zijn, maar de zeedieren en vogels zijn door een professionele hand getekend. Tot de laatste categorie behoort een aantal afbeeldingen van de dodo, de legendarische loopvogel van Mauritius, die door toedoen van hongerige Hollandse zeelieden is uitgestorven. Het journaal telt slechts twee afbeeldingen van een mens, een Franse zeeman. De Hollanders troffen de man aan op Mauritius, waar hij al meer dan anderhalf jaar verbleef. Hij was daar achtergebleven nadat een aantal kameraden, overlevenden van een rampzalige Engelse expeditie, met een in Azië buitgemaakte jonk waren vertrokken. Het was Françoys, ondanks het gemis aan vuur en kleding, niet slecht gegeaan. Hij was, aldus het journaal, `soo corpulent ende cloeck als ijemandt inde vloot'.

Perry Moree (bezorging en inleiding): Dodo's en Galjoenen. De reis van het schip Gelderland naar Oost-Indië, 1601-1603. Walburg Pers, 352 blz. €34,95