Tanden in de nek van het leven

Aan de vooravond van een Boekenweek over het onthechte thema `liefde', gaat Ilja Leonard Pfeijffer die liefde met grote vitaliteit te lijf. Hij is een schrijver die als een man op je afkomt. De daverende droom lijkt uit te komen, maar dan blijken de woorden drijfzand.

Ilja Leonard Pfeijffer is een dichter die je het gevoel kan geven dat je het totaal en helemaal verkeerd doet in het leven. Ja, noem je dat leven? Last van wetten in de weg en praktische bezwaren zeker. Dat kan beter, sukkel, daar zit meer in. Kwestie van aanpakken, laat hij zijn verzen zeggen.

werken is het halve voor elkaar krijgen

En daar gaat hij, zelf het goede voorbeeld gevend, in gedichten die eruit zien alsof hij de Nederlandse taal er eigenhandig voor heeft uitgevonden. Hij maakt nieuwe woorden, plaatst die in merkwaardig opgebouwde zinnen, alsof daar nog geen syntaxis voor bestaat, en heeft ook zichtbaar lak aan dichterlijke regels. Vaste versvormen kent hij niet en rijmen doet hij ook al niet. Of ineens juist wel, middenin een vers, als hem dat even uitkomt. Hij doet domweg wat hij wil.

In die vrijheid attaqueert zijn taal een wemeling aan onderwerpen. De grote thema's komen langs, de liefde en de dood, de schoonheid en de dichtkunst zelf. Maar ook de televisie en de krant, een sekspop, bier en kroegen, de frustraties van hedendaagse classici, een middagje strand, een blitsmaker met geld teveel of Sjonnieboy, een `breedgeluimde schuimspuiter' die houdt van `wijvenreten om het even vreten' en `voor de keet een tyfusturk steken'.

Niets is uitgesloten, alles wat bestaat mag ook in deze taal bestaan.

Dat maakt Pfeijffer tot een ongebruikelijke dichter. Hij heeft weinig van het min of meer klassieke type dat zich, licht beschadigd door het leven, terugtrekt in de stilte van een kamer om daar het exacte woord te zoeken voor zijn certain difficulté d'être. Als hij al op een kamer zit, is het paradoxaal genoeg juist om de buitenwereld naar zich toe te kunnen halen. Om die voor zichzelf ervaarbaar te maken, voelbaar en in alle letterlijkheid leesbaar. Hij zoekt woorden voor de ruimte van het volledig leven, om met de door hem bewonderde Lucebert te spreken, en hij kan het zelf nog korter zeggen.

poëzie is leven

Een zinnetje dat je niet letterlijk genoeg kunt nemen. Poëzie is alles, en dat geeft dit werk een vitaliteit waar je met jaloezie naar opkijkt. Het heeft niets van dat gereserveerde dat je van jezelf zo kent, niets van dat zuinige en bangige. Het gooit zich in de strijd en pakt het leven bij de kloten, zoent het op de bek en zet de tanden in de nek. Testosteron in taal is het. Het wil veroveren en hup, de dingen naar z'n hand zetten, want waarom niet? Waarom zou je taal je wereld niet kunnen veranderen?

voor wie door zijn dagen vlindert met

spetterende

sprezzatura op een daverende droom

is de wereld wentelbaar

Pfeijffer wint daarbij aan overtuiging doordat het hem allemaal zo soepel af gaat. Je ziet hem niet zwoegen, het is een en al zwier en swing en rondspattende klank. De taal lijkt zijn natuurlijk element, hij valt daarin samen met zichzelf, en dat geeft hem een kracht die ook een andere zeldzame natuurschrijver als Grunberg heeft. Zelfs als hij niet goed is (wat hij geregeld is), houdt hij iets dwingends omdat hij zo onontkoombaar zichzelf is. Hij komt domweg als een man op je af.

Pfeijffer weet dat van zichzelf en speelt daar ook op. Hij pronkt. De vondsten in zijn verzen volgen elkaar zo snel op dat ze hun voorgangers haast van de regel drukken en meteen daarna zijn er weer nieuwe verzen. Zijn debuutbundel Van de vierkante man uit 1998 liep tegen de honderd pagina's, de opvolger van vorig jaar, Het glimpen van de welkwiek, gaat daar zelfs nog overheen. Hij overlaadt en overweldigt – voor een veroveraar ligt er macht in het getal.

En dan is er vervolgens nog een overtreffende trap van die bravoure. Want dat veroveren is pas iets waard natuurlijk als het ook iets oplevert. Er moet een buit zijn, Pfeijffer moet iets laten zien, hoog boven zijn hoofd op zijn schild – en ere wie ere toekomt, hij stelt niet teleur. Hij komt meteen maar met de allergrootste schat die er bestaat, in het bijzonder voor een hormonaal gedreven vitalist als hij. `Die liebe die liebe', zoals een gedicht in Van de vierkante man heet – op een toon van jajaja kijk mij daar even.

Een gelukkig man moet Pfeijffer zijn. Zodra het over liefde gaat, gebeurt er een mirakel. De missie wordt volbracht, de oorlogstaal kan aan de kant. Hij wordt stiller en zachter en durft het zelfs aan een gedicht te schrijven in de geest van Gorters `Ik vin je zoo lief', vol stamelend gemurmel, op de rand van het cliché en daar ten slotte in totale overgave overheen:

Liefje ik wou gewoon lief een lief gedichtje schrijven van dat jij lief bent

Heel erg lief of heel heel erg lief of heel heel heel erg lief

En dat je mooie ogen hebt liefje en dat ik heel erg van je hou

Alsof er een volslagen ander voor je staat. De wereld is gewenteld zogezegd. De daverende droom komt uit, hij vlindert door de dagen, en de taal hoeft amper nog te dichten. De werkelijkheid zelf is een gedicht geworden.

Althans, zo was het tot voor kort. Maar die dagen zijn misschien voorbij. Vandaag verscheen de derde Pfeijffer-bundel, Dolores. Elegieën, en meteen ook maar de eerste Pfeijffer-roman, Rupert. Een bekentenis. De boeken zijn bedoeld als delen I en IV van wat wordt aangekondigd als de Steppoli-tetralogie en moeten dus worden gezien als zijpanelen van een vierluik. Vooralsnog een moeilijk in te schatten samenstel, want de luiken vormen elk een eigen afgerond geheel en kunnen het uitstekend zonder elkaar af. Maar één conclusie laat zich al wel trekken: tussen taal en liefde botert het niet meer.

In het eerste van de dertig verzen van Dolores, allemaal gewijd aan de geliefde uit de titel, lijkt de idylle nog intact. Het begint over een ik die `in de ik-vorm' een gedicht geschreven heeft, maakt een tournure naar een jij `in jouw weergaloze jij-vorm' en verandert die vervolgens zelf in een gedicht:

met het pronte volrijm van jouw deinend

dystychon

op het dwingende metrum van jouw maten

Het klinkt als een poëticale variant op Met mijn waldhoorn tussen jouw Alpen, en toch blijkt het ernst te zijn. Het vers komt af, om niet te zeggen klaar, en de geliefde wordt een pagina:

want zo was jij om nooit meer om te slaan

ik heb je gezoend gelikt gezoend en uitgeknipt

en opgeprikt waar ik jou dag en nacht kan

lezen

Maar sla de bladzij om en in vers twee begint het ideaal al scheuren te vertonen. De geliefde blijkt het allemaal iets minder groots te zien en blijft volkomen ongevoelig voor zijn dichterwoord.

wat heb ik jou gloeiend door en dikke vinger

voor je niks persoonlijks hoor maar doe

normaal

dan doe je al genoeg

Drie verzen later, na toch nog een intermezzo van uitslaand geluk, maakt de vrouw het zonder omhaal uit en komt de ik aan het begin te staan van wat nog een langdurig einde wordt. Hij zit in een café vergeefs op haar te wachten. Ziet haar later terug, maar met `verzuurde zoete mond'. Vindt haar een `mutsetrut' en hangt `de pias uit mijn lolbroek' voor een ander. Slaapt toch weer met haar. Is dan ineens weer ziedend. Kan haar niettemin onmogelijk vergeten.

Zo zwoegt de ik zich naar de laatste klaagzang en doet zijn best het slagveld daarin mild te overzien, verzoenend, in een taal die de schuldvraag mijdt (`toen jij mij werd besloten te ontbreken'). En dan valt op hoe ver we zijn geraakt van de taal waarmee de bundel opende en waarmee Pfeijffers eerdere bundels waren bedeeld. Geen glimp van een daverende droom, geen macht van het woord, Dolores komt met alle pijn die in haar naam zit en daar is niets aan te doen.

For poetry makes nothing happen, zoals Auden schreef. Dat is een pijnlijke conclusie, ronduit een ontgoocheling, en de gedichten tonen daar de weerslag van op een manier die haast lichamelijk rechtstreeks is. De vitaliteit ontbreekt. De taal is nog net zo wild en alchemistisch als voorheen, de vondsten buitelen over elkaar, alsof de dichter van zichzelf nog niet wil weten dat er iets veranderd is en vasthoudt aan zijn oude stiel. Maar de magie is weg. Het vonkt niet meer, de glans is ervan af, het is een vlag die de lading niet meer dekt.

Over daarom naar het andere deel van wat de Steppoli-tetralogie moet worden, de roman Rupert. Want Pfeijffer neemt daarin precies de sprong die je in de gedichten mist. Hij waagt zich aan een heel nieuw stiel, met grammaticale zinnen, begrijpelijke scènes en een strakke plot, technisch zo ongeveer het tegendeel van zijn gedichten – en zet het in voor een hernieuwde aanval, interessant genoeg, op het drama en de thema's van Dolores.

Ook in Rupert is de ik-figuur om te beginnen een bravoureheld met aanvankelijk een groot vertrouwen in de macht van woorden. Wil hij iemand op zijn nummer zetten, dan ontwerpt hij daartoe in een innerlijke monoloog van toch al gauw een pagina of drie een magistrale belediging (die vervolgens geen indruk maakt). Wil hij iemand vriendelijk de weg wijzen, dan ontwikkelt hij eerst een gedachtegang over de hoge kunst daarvan (en is daarna in drie woorden klaar).

Ook Rupert blijkt bovendien zinderend verliefd, in zijn geval op Mira, en ook hij maakt daardoor kennis met een temperament dat minder hoog vliegt dan het zijne. Als hij bij hun eerste avond samen wegzinkt in gemijmer over de tactiek waarmee hij haar voor zich kan winnen en ten slotte naar een hoofse aanpak neigt, neemt zij het woord maar. `Komt er nog wat van, koene ridder? Geef me een lekkere tongzoen. Ik heb zin om met je naar bed te gaan.'

En ook bij Rupert gaat het dan al heel gauw mis, in zijn geval door iets dat hij helaas zichzelf moet aanrekenen. Nadat hij haar die avond uit haar blouse heeft `gebladerd' en zij hem haar `verzen' heeft getoond, komt hij tot de ontdekking dat zij weliswaar zijn vleesgeworden verlangen is, maar dat zijn verlangen `weigerde vlees te worden'. En nadat die weigering zich bij de volgende ontmoetingen herhaalt, gaat de verhouding onherroepelijk bergaf.

Dan komt de dag dat Mira met een ander heeft geslapen. Rupert hoort haar uit, wil alles weten, ziet de scène voor zich en voelt plotseling een vreemde opwinding. Er knelt iets in zijn broek, hij knoopt zijn gulp los en raakt in een dusdanige staat (`Kijk, Mira, kijk wat je met mij doet. (...) Ik zal je geven wat ik je nooit heb kunnen geven. Kijk naar me. Het komt. Het is voor jou alleen, Mira, Mira, kijk, Mira') dat Mira hem ontzet de deur uit gooit. Voorgoed.

En daarmee wordt de held in de ontreddering gestort die je ook in Dolores aantreft. Hij probeert haar terug te winnen. Hij probeert haar te vergeten. Hij raakt haar beeld niet kwijt en volgt het daarom overal, tot hij zich voelt als de hond uit die legende die eeuwig naar de tak bleef zoeken die haar baasje ooit weggegooid had. `Zij zou in de loop der eeuwen zo mager zijn geworden dat zij hoger blaft dan een mensenoor kan horen.'

Dat is wat er van zijn woorden over is. Rupert, de onhoorbare roeperd.

Tot zover lopen de roman en de gedichten parallel. Maar de roman plaatst het verhaal in een volstrekt nieuw kader. Rupert spreekt in het boek tot ons in de vorm van een pleitrede. Hij staat voor een tribunaal en moet zich daar verdedigen tegen een aanklacht waarvan hij meldt dat ze zwaar is, zeer zwaar, maar niet hoe ze luidt. Dat blijkt pas in de laatste bladzijden, in zijn verslag van een avond die het boek een ademstokkende ontknoping geeft.

Die avond is de crux van de roman, naar dat punt werken de woorden toe, en dat verandert het gezichtspunt op het drama-Mira. Dat Rupert over haar vertelt (en over alles wat met haar verbonden is – over de straten en huizen van hun stad, over vergeten en herinneren en de techniek van de ars memorativa) is hier niet om dat verhaal op zich, zoals in de gedichten, maar om een verhaal daaronder. Het verhaal van de merkwaardigheden in zijn omgang met de wereld.

Het begin daarvan zoekt hij in een behoefte die hij bij zichzelf ontdekt, hij vindt het zelf een tikkeltje bizar, aan exhibitionisme en voyeurisme tegelijk. Het leven is voor hem een voorstelling waar hij een rol in speelt. Hij maakt een opkomst en ziedaar, hij wint het publiek. Maar tussen dat publiek zit hij ook zelf, hij volgt zijn doen en laten `vanuit de duistere loges van zijn ziel'. Zijn leven is een kant en klare thuisbioscoop waarin de verbeelding voor de programmering zorgt – 24 uur per dag, tot in zijn liefdesleven aan toe. `Zijn minnen was een fictie die hij waar maakte door zich als zijn eigen toeschouwer te identificeren met het personage dat hij gestalte gaf.'

In die gesloten cirkel kan hij alles in het leven aan. Behalve net dat ene. Als hij Mira voor het eerst ziet, valt hij als een blok voor haar omdat ze zo gewoon zichzelf is. `Ze is echt.' Dat roept bij hem de noodzaak op iets dergelijks te zijn, en wat voor rol is dat? Hij raakt zijn tekst kwijt, kan niet spelen en niet kijken naar zijn spel en kan dan plotseling ook het niet meer, is een verloren man. Tot op de dag dat ze het met een ander heeft gedaan en hij zich dat tot in detail voor ogen tovert. Dan wordt ze ineens `zo echt als in een film' – en zie, meteen maakt hij een opkomst, in de rol van `Rupert de Rukker'.

Rupert blijkt daarmee een man te zijn die de gevangene geworden is van zijn verbeelding. Hij zit opgesloten tussen spiegels – en misschien zelfs nog wel erger dan hij zelf beseft. Uit toenemende tegenspraken merk je dat zijn woorden niet altijd kloppen met de werkelijkheid. Een bijzin in de laatste bladzijden meldt zelfs dat het tribunaal er niet in is geslaagd de Mira waarvan hij de mond zo vol heeft op te sporen. Wat zou kunnen betekenen dat de vrouw in kwestie anders heet. Maar ook dat ze eenvoudig niet bestaat. Wat zou betekenen dat er van wat hij zegt haast niets bestaat en zijn betoog een waanvoorstelling is.

Zo loopt Rupert uit op het verhaal dat alle grond onder de voeten kwijtraakt. Niets staat vast, elk woord is drijfzand, en daarmee is dit in de kern een heel ander en veel radicaler boek dan Dolores. Verloor de taal in de gedichten al de macht de wereld te veroveren, in het pleidooi van Rupert is de vraag in hoeverre de taal het überhaupt nog over de wereld heeft. De werkelijkheid is zoek.

De vraag die zich vervolgens aandient, is alleen wat de roman dan eigenlijk nog zegt. Van stijl is het een virtuoos betoog, meeslepend in zijn retoriek, met zinnen die zich soepel uitsmeren over een halve pagina of meer. Uitzinnig van verbeelding, buitengewoon geestig, dan weer prachtig lyrisch, en ten slotte onverwacht heftig als het om de seksuele kronkels van de held gaat. Een genot om te lezen. Maar wat hou je eraan over als het vuurwerk uitgespetterd is?

In elk geval toch één gedachte - en niet de kleinste. Want de pleitrede van Rupert mag binnen het boek dan niet meer aan een werkelijkheid te toetsen zijn, daarbuiten is ook nog een werkelijkheid, en als je het boek dichtslaat dringt er zich een ongemakkelijke indruk op. Die bizarre drang die Rupert bij zichzelf ontdekt tot kijken en bekeken worden tegelijk, als toeschouwer van zijn eigen spel, die zie je om ons heen en in onszelf zo'n beetje overal.

Mij althans vielen ineens al die op zich bekende tijdverschijnselen weer op. De televisieformats met sterren als gewone mensen en andersom. De homevideos, de webcams, al die camerageleide modernismen waarmee we ons aan onszelf laten zien. Ficties die vaak niet van echt te onderscheiden zijn – totdat je ze wil meenemen in het echte leven en ontdekt dat er onbreekbaar glas omheen staat.

Pfeijffer wijst in Rupert naar de wonderbaarlijke onwerkelijkheid van onze werkelijkheid. Hij doet niet meer alsof hij met zijn woorden middenin de wereld staat, hij laat juist zien hoe moeilijk het is om daar te staan. En komt er daarmee, voor het eerst misschien wel, echt in de buurt.

Ilja Leonard Pfeijffer: Dolores. Elegieën. De Arbeiderspers, 37 blz. €10,– Ilja Leonard Pfeijffer: Rupert. Een bekentenis. De Arbeiderspers, 170 blz. €13,95