Op de bres voor Pruisen

De enige echte held in Louis Ferrons Het overspelige gras, een bij vlagen briljante familieroman over de ondergang van de landadel in de Gelderse Achterhoek, is de Pruisische Junker Tresckow. Deze Wehrmachtofficier, die pacteert met het Achterhoekse verzet tegen de nazi's, vertegenwoordigt de ware zielenadel en grote Pruisische deugden als de categorische imperatief van Kant: de ander bejegenen zoals men zelf bejegend wil worden. Tresckovs naam is ook niet toevallig gekozen. Hij verwijst naar een Duitse Wehrmachtgeneraal die in de Tweede Wereldoorlog bij de tegen Hitler gerichte Von Stauffenberggroep zat. Kennelijk beoogt Ferron zo de mythe te ontzenuwen volgens welke Pruisen achter de gruweldaden van het Derde Rijk zat.

Een nieuw thema is dit niet in het werk van de Haarlemse schrijver. Als zoon van een Duitse soldaat en een Nederlandse moeder heeft de Duitse geschiedenis Ferron altijd gefascineerd. Al in 1981 voerde hij in zijn roman Plicht! de Pruisische Junker kapitein Robert op, die tegen de klippen op de Kantiaanse idealen verdedigt, maar deze ten slotte moet opgeven. Ook de hooggestemde Tresckow gaat ten onder, maar hoeveel stijlvoller is zijn neergang dan die van de Achterhoekse textielbaronnen op wier landgoederen hij in de Tweede Wereldoorlog verzeild raakt.

Ferron beschrijft in Het overspelige gras (naar een dichtregel van de Achterhoekse dichteres Ida Gerhardt) de definitieve ontluistering van het geslacht Van Lookeren. De familie is al generaties lang in het bezit van het `goed' Enghuizen bij Hummelo, in het coulissenlandshap ten oosten van de IJssel dat in hoge mate wordt bepaald door historische landgoederen als Baak, Hackfort, Onstein en Ruurlo. Inmiddels is een deel ervan verkocht aan de pachtboeren of aan stichtingen en instellingen, wat het voordeel heeft dat ze toegankelijk zijn voor het publiek. Wie er ronddwaalt – en zo te zien heeft Ferron dat veelvuldig gedaan – wordt onwillekeurig bevangen door heimwee naar een voorgoed afgesloten verleden en door fantasieën over de drama's die ten grondslag hebben gelegen aan het verval van de fameuze geslachten.

Het overspelige gras roept reminiscenties op aan De Buddenbrooks van Thomas Mann en – wat familiegeheimen betreft – aan Louis Couperus' Van oude mensen de dingen die voorbij gaan. Het begint al met grootvader Eduard van Lookeren, in 1910 overleden onder dubieuze omstandigheden waar zijn echtgenote en tuinknecht meer van weten. En dan zijn zoon Eduard jr. (1869-1962) wiens bloed minder blauw is dan hij zelf vermoedt, wat dan ook wel de reden zal zijn van een stuitend gebrek aan zielenadel. Zijn tijd als rechtenstudent in Leiden is hij niet zonder kleerscheuren doorgekomen. Sindsdien draagt de familie een geheim met zich mee dat maar ternauwernood kan worden toegedekt. Als Eduard van Lookeren IV, geboren in 1924 op het toneel verschijnt, is de degeneratie onmiskenbaar ingetreden. Hij blijkt de personificatie van het verval: amoreel en, voor de voortzetting van het geslacht desastreuzer, homoseksueel.

Een groot deel van het verhaal wordt verteld uit het perspectief van deze laatste Eduard van Lookeren, gymnasiast tijdens de Duitse bezetting en verliefd op de evident homoseksuele, maar van huis uit puriteinse Tresckow. Deze wijdt de jonge Van Lookeren in in de literatuur van Hölderlin, Rilke en Trakl, maar niet in de liefde. Als Eduard zich op een avond aan Tresckow aanbiedt, weert deze hem af door hem wreed zijn plaats te wijzen. De Pruisische Junker onthult aan de ordinaire schandknaap dat het adeldom van de Van Lookerens en dat van Eduard in het bijzonder op een farce berust.

Ferron is wel eens pronkzucht verweten wegens zijn gekoketteer met grote namen uit de wereldliteratuur. Ook in deze roman ontbreekt enig vertoon in de vorm van verwijzingen naar zijn grote voorbeelden niet. Beriep hij zich in het semi-autobiografische Viva Suburbia op Ernst Jünger om zijn hopeloze strijd op een `verloren stelling' te adstrueren, nu legt hij deze woorden bijna letterlijk in de mond van Tresckow die zich, ook al verwijzend naar `zijn geliefde Jünger', realiseert dat hij met zijn aan Frederik de Grote ontleende morele waarden, op `een verloren stelling (had) gestaan'.

Mij storen de verwijzingen naar grote namen, woorden en idealen niet, zolang ze, zoals bij Ferron vrijwel steeds het geval is, op organische wijze deel uitmaken van de uitgebeelde karakters. Tresckow en de Van Lookerens bezwijken als romanpersonages niet onder Ferrons uitbundig geëtaleerde eruditie. Hooguit kan gezegd worden dat we zijn levensvisie, een doorleefd en met wanhoop beleden nihilisme, soms wat te nadrukkelijk krijgen opgediend. `Juist omdat hij getracht had dat leven zin te geven door zich krampachtig vast te klampen aan de zeden en tradities waaraan zijn voorvaderen de zin van hún bestaan hadden ontleend, was iedere zin voor hem verloren gegaan.'

Het zijn vaak niet de beste romans waarin de moraal van het verhaal er zo duimendik bovenop ligt, maar wanneer de boodschap verpakt is in een zo ingenieus gecomponeerd verhaal als Het overspelige gras, valt er heel goed mee te leven.

Waarschijnlijk onbedoeld vormt de roman ook nog een belangwekkende bijdrage aan het onder Duitse intellectuelen al weken woedende debat over het voorstel om (voor de deelstaten Berlijn en Brandenburg) de naam Pruisen her in te voeren. Mocht Ferrons mening hierover worden gevraagd dan zou het me niet verbazen als hij zich, evenals zijn Duitse collega Martin Walser, voorstander zou betonen van een Pruisisch eerherstel.

Louis Ferron: Het overspelige gras. De Bezige Bij, 254 blz. €18,50