Nederlands in komkommertijd

`U hoeft nooit meer een tweede doos bonbons te kopen', schrijft Battus, een pseudoniem van H. Brandt Corstius, in de inleiding van zijn vandaag verschenen `Opperlans!'. In het boek viert zowel het Nederlands als de realiteit vakantie. De lezer raakt volledig ontregeld.

Het Nederlands is een nuttig hulpmiddel, zoals alle talen dat zijn. We drukken ons er mee uit, door middel van onze taal hebben we contact met onze medelanders. Battus (samen met de pseudoniemenclub om hem heen) doet iets anders met het Nederlands. Hem gaat het niet om contact, niet om betekenis, noch om het nut van taalconstructies. Hij speelt met Nederlands, zoals een vader in de vakantie op het strand tegen een bal schopt: hij geniet van het balcontact, kijkt met voldoening naar de boog van de bal en het stuiteren op het natte zand. Dat type Nederlands, taal ontdaan van nut en inhoud, noemde hij Opperlands of Opperlans. Nederlands in komkomkommertijd, Nederlands op vakantie.

Over dit komkommernederlands schreef hij twee boeken: Opperlandse Taal- en Letterkunde (1981) en het vandaag verschenen Opperlans! Taal- & Letterkunde – de Opperlandse d sneuvelde op suggestie van W.F. Hermans. Waarom? Het voerde het spel dat in Battus' wereld de overhand heeft één consequentie verder.

Opperlans! Taal- & Letterkunde is op het eerste gezicht een encyclopedie, met rubrieken geordend op alfabet van aa (`Hoe dit boek te lezen') tot zz (`Zevenenzeventig zeer zotte zinnen'), via ba (`Bas-alt'), ca (`Crash het alfabet') en zo verder. Het overgrote deel van de lemma's bestaat uit voorbeelden van uiteenlopende soorten Opperlans: bij voorbeeld palindroom (woorden die van voren naar achteren en andersom identiek zijn), lipogram (woorden waarin bepaalde letters verboden zijn), o-ruil (`hangoren-Hongaren'), of cyclozinnen (eerste woord is gelijk aan laatste woord).

Opperlandistiek vinden we onder ja (`Ja, hier begint de Opperlanse taalkunde') tot en met jz, alsmede onder qa (`Hypergram, inclusief de wet van wit en wat') tot en met qz. De rubrieken ya tot yz bevatten een register op Opperlanse begrippen en namen, eentje op Opperlanse woorden, en tot slot een register op de namen van bekende en minder bekende Opperlanders. Simpeler kan ik deze ingewikkelde samenvatting van een duizelingwekkend boek niet maken.

Opperlands bestaat uit mooie en minder mooie taalspelletjes. Een eenvoudig voorbeeld is wat de terecht volstrekt vergeten, negentiende-eeuwse dichter Mr. J. Versfelt (1805-1874) produceerde. Waarschijnlijk vond Battus dit te simpel – deze poëet wordt in Opperlans! nergens genoemd –, al schrijft hij dat in Opperland iedereen een winnaar is.

Versfelt liet in de reeks `logogriephen' (in Gedichten, 1876) zijn overzichtelijke talent los op de lettermogelijkheden van woorden als `schavot' en `bever'. Zo ook nummerde hij de tien letters van het woord `boekenkast', en dichtte hij het vers `4.2.4.'

'k Ben altijd aan mij zelv' gelijk,

hoe men mij ook beschouw'.

Bij rijken ben ik dikwijls man,

Bij armen altijd vrouw.

Maar man of vrouw – mijn werk is één

En ieder mint mij zeer.

't Zij ik als hij dat werk verrigt

Of vrouw'lijk figureer.

Hoezeer ook winnaar onder de winnaars, dit mag toch lager Opperlans heten, taalvernuft uit de komkommerigste vakantiedagen. Voor de Opperlander zonder inburgeringsbrevet, meende Versfelt bovendien nog een extra vingerwijzing te moeten inlassen. Let op lezer: de vierde letter in `boekenkast' is een k, de tweede een o, dan gaan we weer naar de vierde (k). Met andere woorden:

`(NB): Kok blijft kok, hetzij men van voren of van achteren beginn' te spellen.'

In culinaire termen uitgedrukt: Versfelt biedt een droog mariakaakje vergeleken bij de monstermaaltijd die Battus ons voorzet. Bij hem bestaan alle gangen afzonderlijk uit gerechten als de beruchte Rôti sans pareil: olijf in snip, in ortolaan, in leeuwerik, in lijster, in kwartel, in kievit, in pluvier, in patrijs, in houtsnip, in taling, in parelhoen, in tamme eend, in vette kip, in afgehangen fazant, in gans, in kalkoen, en die menigvuldig gevulde eenheid tien afgemeten sudderuren lang in een hermetische pan.

Men wenst de verorberaar van een rôti sans pareil kracht en sterkte, in plaats van smakelijk eten. Men wenst de lezer van Battus evenzeer kracht en sterkte, maar mits met mate genoten biedt zijn Opperlandse overzichtswerk een ongelofelijke hoeveelheid lekkere hapjes. Battus zelf besluit zijn inleiding met eenzelfde vergelijking:

`In uw handen ligt een doos met 676 Opperlanse bonbons. Proef. Geniet. Overeet u niet. U hoeft nooit meer een tweede doos te kopen.'

Peinzen

Je moet vaak lang peinzen en puzzelen voor je ziet wat die Opperlanse woorden verbindt. De combi Nederlands-Opperlands zien we zo, in het hoofdstuk `Symmys uit Xenoland' (sx) volgen we nog wel dat het Zweedse att ordidrotta (te woordsporten) ook met att begint als je het van rechts naar links leest. Speels, leuk. Maar naar een zin als `Wel stelde des Sjahs skijool hoge livreieisen aan het personeel van de Sankt-Moritzzweefbanen' moet je al langer turen. Speels, leuk. Gelukkig is er de Opperlandicus Battus die ons rondleidt, maar hij spreekt niet zelden de Opperlandse tongval. Zo zegt hij in `Circulaire circa c' (cc) `De Nederlandse taal heeft de c nodig als kiespijn. De cigarette smaakt als sigaret net so sacht en de cacophonie klinkt als kakofonie krek zo keihard.' Opnieuw: speels, leuk.

Battus' eenmalige bonbondoos vertoont op het eerste gezicht het uiterlijk van een encyclopedie, met rubrieken geordend op alfabet van aa tot zz. Maar zoals hij Opperlands `Nederlands op het tweede gezicht' noemt, is Opperlans! Taal- & Letterkunde een `encyclopedie op het tweede gezicht', vol vreemde sprongen. Het lemma `Niet' (over de Mulischzin `Zijn hoofd loopt om, hij wil wat hij niet wil en hij wil niet wat hij wil.') begint in de afdeling ni, onderaan de pagina worden we teruggestuurd naar nd, en voor het slot weer naar nf gebonjourd. Voor de tekst van `Eene Kers-preek met volkomen uitlating van de letter R zonder dat daardoor de zin eenigszins verstoord wordt' (1834) volgen we route lr, nm, nn, rn. En `Opsterlans' (fo) is een nawoord bij mo (`Mopperlands'). Opperlans! is ook als naslagwerk op vakantie. Tekenend is de kruisverwijzing in het register `Opperlanders' (yy-yz). `K. van Kooten, zie W. de Bie / W. de Bie, zie K. van Kooten.' Een soortgelijke verwijzing (`Opkomst, zie Ondergang') nam A. Winkler Prins op in de eerste twee drukken van zijn Geïllustreerde Encyclopaedie (1880,1888), maar bij hem was het ongetwijfeld geen grap en bij Battus (op het tweede gezicht) wel.

Het opdelen van de inhoud over de pagina's in Opperlans! heeft misschien met de ruimte-indeling in te maken, anders zou dit dikke, dure boek vast duurder en dikker zijn geworden. Dat de encyclopedist in Opperlans! Taal- & Letterkunde niet op de strepen der systematiek heeft gestaan heeft echter ongetwijfeld ook te maken met de overtuiging dat elk systeem in Opperland onmiddellijk onderuit moet worden gehaald. Het wetboek van Opperland lijkt daarmee als twee druppels water op het Wetboek in het Utopia der anarchisten. En als ik me een Opperlands gerechtsgebouw of eentje in datzelfde Utopia voorstel, dan zie ik bij beide een standbeeld van Vrouwe Justitia in de hal, zonder blinddoek, met op haar sjerp geborduurd het motto: `Onderzoek! Spel! Twijfel!' (Nee! Oef! Dol zwerk splijt!).

Zelf zegt Battus in `Hoe dit boek te lezen': `U gaat in een tuin toch niet de grashalm linksonder het eerst bekijken? Wandel, blader, ruik, pluk, gruw, wied, sproei, vertrap, zaai en maai. [...] Surf door dit boek.'

Opperlans! Taal- & Letterkunde is met zoveel woorden een verzamelwerk, dat het contact met de werkelijkheid heeft verbroken. Ook de realiteit (met haar betekenis en samenhang) is in Opperland op vakantie. De enige connectie is de mogelijkheid die de letters bieden om een woord te maken, maar of bij voorbeeld de alfabetische letterverschuiving `lettertje verschil'>`kettertje verschik' enige zin heeft, doet er volstrekt niet toe. Opperlans! Taal- & Letterkunde vormt dan ook een `gesloten systeem', een term die ook wel voor de denkwereld van de schizofreen wordt gebruikt, waarin een op zich kloppende grammatica (samenhang) evenzeer het contact met de werkelijkheid is kwijtgeraakt. En net als de denkwereld van de schizofreen is ook de denkwereld van de Opperlander een universum op zich, vol onverwachte verbanden en ongedachte overeenkomsten, vaak van een verbijsterende schoonheid. Ik moest bij Opperlans! herhaaldelijk denken aan de briljante verzamelde geschriften van de Zwitserse kunstenaar/inrichtingspatiënt Adolf Wölfli Von der Wiege bis zum Graab. Zowel Battus als Wölfli (re)produceert wat veelal `gestoorde teksten' worden genoemd, teksten vol betrekkingswaan. Beiden vertonen ook een rigide indelingsdrift, maar tegelijkertijd (Multatuli zei: `alles in alles') wordt elk onderscheid en elke systematiek onbewust (Wölfli) of bewust (Battus) ondergraven.

Natuurlijk is Battus schatplichtig aan voorgangers. Hij nam een groot aantal Opperlandse teksten op, van uiteenlopende grootheden als Kees Stip, Drs. P., Jacob van Lennep, Frommé, Marten Toonder, Komrij, Kousbroek, E. Laurillard, Vondel, Ivo de Wijs, Hanlo, Ewoud Sanders, Johannes Bosscha, C. Buddingh', Bilderdijk, Vroman, Revius, Poot, of Du Perron. Hij heeft vooral goed gekeken naar de groep Franse schrijvers en wiskundigen, verzameld in de in 1961 opgerichte anti-Académie OULIPO (Ouvrages de Litérature Potentielle), waaronder namen als Alfred Jarry, Raymond (2x) Queneau en Roussel, Italo Calvino en Georges Perec. In OULIPO was men bij voorbeeld dol op anagrammen, de Opperlandse stijlvorm die in dit stuk ook herhaaldelijk figureert. OULIPO was evenmin in eerste instantie geïnteresseerd in wat in Nederland `gezond verstand' heet. Dat ging soms ver. `Het anagram,' schrijft Marc Lowenthal op www.raintaxi.com/oulipo zelfs, `heeft meer dan één slachtoffer geëist: Ferdinand De Saussure, Tristan Tzara, en de tragische Unica Zürn, wier fascinatie voor woordspelletjes samenviel met een mental collapse.' Je kunt verder denken aan James Joyce's Ulysses, een `waanzinnig' boek waarvan werd gezegd dat the encyclopedic mind of the author is transmuted into the linguistic flesh of his novel.

Een verwant (meester)werk is ook Matthijs van Boxsels Encyclopedie van de Domheid, even hermetisch, even rigide (tot op het gaatje) geformuleerd, even paradoxaal als het om ernst en luim, intelligentie en domheid gaat. Op de denkbeeldige Academie van de Domheid van Van Boxsel (verre van toevallig zelf een praktiserend Opperlander) waait de zwarte vlag, een banier die het licht absorbeert. En het gesloten, hermetische karakter van het Opperlands bezit de energie van het zwarte gat. Alles wijst naar binnen.

`Je vraagt je af', schrijft Battus ergens in zijn Opperlans!, `of een vegetariër de aangewezen persoon is om een monografie over gehaktballen te schrijven.' Alleen wie zich wel eens zelf aan Opperlands heeft gewaagd, heeft recht andermans Opperlans `speels' of `leuk' te noemen.

Andy's Anagramsolver

Ik heb nu een aantal dingen in dit boek speels en leuk genoemd, maar kwalificeerde mij nog niet. Dat lukt in mijn geval ook alleen maar dankzij het bestaan van Andy's Anagramsolver op internet. Een recent anagrammatisch overzicht van de Nederlandse literaire kritiek zou er zo uit kunnen zien:

Maarten Doorman maande rotroman, Robert Anker (nar roert bek) recenseert Thomas Roosenboom (`Hormoonteams boos'), Tom van Deel (moed ten val) bespreekt Kristien Hemmerechts (`Neemt schrikshirt mee'), Jeroen Vullings (neuslijnvolger) kraakt Jeroen Brouwers (`Wou beer sjorren'), Arjan Peters (prent je aars) bespot Renate Dorrestein (`Intrede rare snoet'), Hans Goedkoop (had spokenoog) schrijft over Louis Ferron `Oef, ruil snor!', en Arnold Heumakers (leuk, harde romans!) over Joost Zwagerman: `Jargon was omzet'.

Van Battus kan Andy geen anagrammen bakken, maar uit zijn solverlijst van de man achter het pseudoniem Battus, Hugo Brandt Corstius, viel zo een kort poëem te dichten:

Hugo Brandt Corstius:

Roos stuurt Bach ding,

gis stuurt Bach donor

urn. Dacht rustig: boos,

onrustig. Absurd toch?

Bach dus rot onrustig.

Gods uur: Bach stort in.

Och, dag bruist onrust

Bach strooit nu drugs.

Het is wel eens eerder gezegd: het is een blote liefhebberij, geheel onschadelijk voor waarheid en deugd. In alle komkommerigheid – niveau Versfelt, ik verbeeld me niets – mag ik nu Battus' Opperlans speels en leuk noemen, ondanks genoemde schatplichtigheid een uniek boek, briljant in haar recreativiteit en...

Woorden schieten te kort.

Toch geloof ik dat Opperlans! Taal- & Letterkunde als encyclopedie bezien een nog interessanter boek is. Je zou er een filosofie over vrijheid en zelfdwang aan vast kunnen knopen, met woorden als Beschränkung en Meister, over de onbelemmerde bewegingen van de burger als de taal dictator is, zonder enig respect voor reputaties en namen. Je kunt denken aan het paradoxale, utopische klooster van Rabelais, waar iedereen doet waar iedereen zin in heeft, aan elk ander boek waarin de orde wordt opgelegd door de chaos en toevalligheid van het geheugen. Naast de torenhoge opeenstapeling van `blote liefhebberijen' is Opperlanse Taal- & Letterkunde een volstrekt subversief boek.

Aan het feit dat ik werd geboren – raspend lot – in de gemeente Opsterland (Fr.) heb ik nooit enig belang gehecht, maar zelfs dat wordt in Battus' subversieve encyclopedie geproblematiseerd. Opsterlands, zegt hij, is de overtreffendste trap van Opperlands. `De Opsterlander neemt een loopje met het Opperlans, deze neemt het niet ernstig.'

Desondanks.

Ik doe voor Opperlans! Taal- & Letterkunde van mijn lengte af, zoals anderen door de knieën gaan voor het altaar in de H. Roomse Kerk, terwijl knielen inderdaad – wat dat betreft heeft Battus gelijk – géén gewoonte is in de gemeente waar ik het licht zag.

Door de volstrekte ontregeling van de lezer in dit meesterwerk, met het verregaande anarchisme van deze antifilosofische, anti-encyclopedische encyclopedie torent Battus' taal- en letterkundige opperlans, pikzwart, vurig kloppend in het dwangtuig van de taal, tientallen meters uit boven het poldergebied dat Nederland heet, waar minister-president 4.2.4. `best een beetje trots' staat uit te druppelen van zijn laatste ambtstermijn en mompelt: `Kok blijft Kok, 'k ben altijd aan mij zelv' gelijk en ieder mint mij zeer.'

Hopelijk komt het nog voor hem, hopelijk voor iedereen.

Komkommertijd.

Battus: Opperlans! Taal- & letterkunde. Querido, 676 blz. Tot 15 april €63,95. Daarna: €74,95