Mijn Grote Oorlog

De Grote Oorlog is terug! Een boek als `Velden van Weleer; Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog' beleeft in een paar jaar tijd z'n tiende druk! En `Zacht en Eervol' uit 1999 ,,loopt als een trein, meneer''. WOI is helemaal vet-cool, ook in Nederland, ik heb daar een neus voor.

Een late aanval van selectieve perceptie, zegt de cynicus, die de honger al in de jaren tachtig zag opkomen. Allow me this little victory, zeg ik.

Hoe dan ook, ik begon twee jaar geleden, net als vele anderen, opeens naar Verdun te rijden. Daar zou tussen 1914 en 1918 iets aan de hand geweest zijn, iets met loopgraven en met de Dikke Bertha!

Dikke Bertha, dat had ik als kleine jongen nog meegekregen van mijn vader, was: ,,Een kanon dat wel honderd kilometer ver kon schieten!'' Dat ging er bij een kleine jongen in als koek, een koek die blijft plakken. Jarenlang, telkens als ik door België en Frankrijk reed, dacht ik: ik kom het een keertje uitzoeken, al die eindeloze begraafplaatsen en borden met Champs de Bataille.

Twee jaar geleden begon het met een eerste aanzetje, meer niet. Met vrouw en kinderen waren we tijdens een mislukte, want verregende, fietstocht ergens in de Elzas. ,,Misschien kunnen we vandaag dan even met de auto langs Verdun?'' opperde ik schijnheilig. ,,Het schijnt daar wel aardig te zijn. Veel musea en zo'', loog ik.

Na het Ossuarium (betonnen gebouw vol botten en benen, indrukwekkend en mooi droevig en lelijk) viel er voor de kleintjes en mamma weinig meer te lachen. Na de belofte van `morgen een pretpark' wist ik het zeker. Im Westen nichts Neues van Remarque, Erich Maria, dat wist ik nog, waarschijnlijk omdat er altijd `Maria' bijstond, dat moest ik thuis maar weer eens pakken.

Ik zag ook een paar video's, zoals Paths of Glory van Stanley Kubrick. Mooi? Mooi mag je niet zeggen, maar fascinerend is nog lulliger en schijnheilig bovendien. Maar het mooiste waren de mensen; alle mensen die er iets meer over konden vertellen dan ikzelf, ze waren allemaal ge-wel-dig.

U begrijpt het al, langzaam sloot het net. Ik vond een oude vriend die er hélemaal niks van afwist, en vorige maand was het zover. Hoewel `De Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog' in Nieuwpoort, bij Oostende, begint, wisten wij het beter en zouden we Verdun pakken. Want drie dagen is weinig tijd, vriend was nog blanco, en Verdun was toch het ergste. `Op naar Verdun', zo zou onze vakantie heten. Lekker met z'n tweeën, kaart lezen en als reisgids 'Velden van Weleer' erbij (Trouw: Prachtig boek).

,,Mais non, tout est fermé!'' zei het meisje van de toeristeninformatie in Verdun. Nou, dan rijden we toch van Verdun langs de frontlijn naar boven! Ha, vrienden zijn niet te pakken hoor!

Laat ik u vertellen dat niets moeilijker is dan uit een reisgids de weg achterstevoren terug te lezen, en weer terug te rijden, te lezen en te rijden. Maar goed, we kwamen nog wel ergens. Regenachtige en koude plaatsen, prima dus. Afzien hoort erbij. Bij Main de Massiges, op de D566, bij het Mariabeeld linksaf, voor ons rechts, reden we tegen een boer aan, en ietsjes later gleden we nog de greppel in ook. Allemaal goed, want afzien hoort erbij. Vreselijke koude winden en plakkerige champagneklei, rubberlaarzen die in afgrijselijke olifantenvoeten veranderen, en ga zo maar door.

En na wel een héél uur wandelen was het voor ons jongens dan fijn om met de waterdichte donsjacks in de auto, de kachel op 10, weer verder te mogen lezen over de ontberingen van onze voorgangers.

,,Ja, maar zij hadden betere schoenen'', zei vriend die een gaatje in zijn laars had. Des avonds maakten we dan kwartier in het Continental van Reims en aten we aan de overkant bij Flo een welverdiende choucroute (`Zullen we nóg zo'n flesje doen?') en evalueerden we nog wat. Na nog een dag van onmenselijke ontberingen en onbeschrijfelijke taferelen belandden we uiteindelijk in Ieper. En Ieper was het leukste, in Ieper heb je Hill 62. Hill 62 met Jacques Schier, die lijkt op Monsieur René, de cafébaas uit Allo Allo. Je kunt er friet eten, koffie drinken en er is een museum met houten kijkasten met dieptewerking, en nog veel meer, maar je gaat er voor de loopgraven naar toe, hartstikke echt zijn die loopgraven.

,,Mogen we zo'n huls meenemen, Jack? We zijn van de krant.''

,,Wellaan, ge hebt ook al voor diene koffie betoald, pak er moar eene.''

Moesten wij ons schamen, kachel op stand 8 met het souvenir, op weg naar huis? Natuurlijk moesten wij ons schamen, met minstens tien miljoen doden op het slagveld. Maar we hadden toch weer koude voeten gekregen en ik zocht naar het knopje feet.