`Meestal kunnen wij niet veel doen'

Charlotte van Rappard leidt het project `Herkomst Gezocht', ingesteld na de commotie over de teruggave van oorlogskunst door het rijk. ,,Je moet oppassen met oordelen over het verleden.''

Zondagmiddag. Een huis in Amsterdam-Zuid. Grote, hoge kamers, de geur van boenwas en een serre die uitkijkt op de nog winterse tuin. Op het randje langs de lambrizering staan Japanse beeldjes en borden. Van de antieke naaidoos op de vloer – een erfstuk – is het deksel opengeklapt. Net zat ze, al pratend, nog knopen aan een jasje te naaien, straks zal ze naar boven gaan, terugkomen met een bak vol sokken en die paar voor paar uitzoeken en in elkaar steken. Maar nu loopt Charlotte van Rappard te telefoneren. Als ze klaar is, zegt ze: ,,Dit ging over een collectie geologica die een universiteit wil teruggeven aan het land van herkomst, misschien ten onrechte.'' Jolig voegt ze er aan toe: ,,Ja, ik heb een leuke baan hoor. Gisteren stond ik in een Haarlemse loods bedreigde draaiorgels te redden en morgen heb ik een bespreking over de Haagse Conventie die de illegale invoer bestrijdt van kunst uit landen die in oorlog zijn. De Nederlandse douane heeft laatst een partij Afghaanse beelden onderschept. Het idee is dat we die vasthouden tot het gevaar daar geweken is. Maar we kunnen nu niets doen omdat de wetgeving nog niet bij de bepalingen van die Conventie is aangepast. Hopelijk gaat dat binnenkort gebeuren.''

Kunsthistorica Charlotte van Rappard-Boon (57) is hoofd van de Inspectie Cultuurbezit bij het ministerie van OCenW. De Inspectie controleert het beheer van de collecties in de rijksmusea en houdt ook een oog op de ruim 200 voorwerpen en verzamelingen die onder de Wet Behoud Cultuurbezit vallen. Dit zijn allemaal voorwerpen met een `bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis' die volgens het ministerie `onmisbaar en onvervangbaar' zijn voor ons land en daarom niet naar het buitenland mogen worden verkocht. De `beschermde voorwerpen' variëren van 17de-eeuwse wandkleden tot Japanse kabinetten, doopschotels, schilderijen van Rembrandt, draaiorgels, een zilveren luiermand, of een verzameling zeldzame instrumenten. De voorwerpen horen niet tot het bezit van de overheid of van musea, maar zijn van particulieren, stichtingen of kerken. Met een zekere regelmaat krijgen die een inspecteur op bezoek die nagaat of het beschermde cultuurgoed er nog wel is en of er wel goed voor gezorgd wordt.

Charlotte van Rappard: ,,De Haarlemse draaiorgelvrienden vroegen of ik kwam kijken omdat het Kuunkels dansorgel in gevaar was, het enige nog werkende art deco dansorgel in Nederland. Het hoort bij een collectie orgels waarvan er één beschermd is. Ze staan in een Haarlemse loods die door de gemeente aan een supermarkt is verkocht. Die loods begon te lekken en de mensen die die orgels onderhouden konden er nergens mee naartoe. Het probleem is dat wij in zulke gevallen meestal niet veel kunnen doen. De Wet Behoud Cultuurbezit is in 1984 vooral gemaakt om uitvoer tegen te gaan. Als zo'n beschermd voorwerp naar het buitenland dreigt te verdwijnen, kunnen wij met een heel sterke arm optreden. Maar als ik er als inspecteur achterkom dat iemand zo'n voorwerp verbrandt, weggooit of ondeskundig laat restaureren, dan kan ik hoogstens zeggen: `Tuttut, hoho', want verder sta ik machteloos. Er is weinig geld en er zijn ook nauwelijks regels voor een goede conservering en beveiliging van die voorwerpen. Ik hamer er altijd op dat dat niet deugt. Gelukkig vindt de Raad voor Cultuur dat ook, dus wie weet gaat het veranderen.''

Kort na de oorlog mocht ze als peuter met haar vader – de kunsthistoricus Karel Boon – mee naar de bunker bij Zandvoort waar een deel van het Nederlandse museumbezit tijdens de Duitse bezetting was opgeslagen. Het zijn haar vroegste kunsthistorische herinneringen. Met haar vader, die later directeur werd van het Rijksprentenkabinet, deelde ze haar belangstelling voor de Japanse kunst waar ze zich bij haar studie in specialiseerde. Nadat ze was afgestudeerd, schreef ze een serie catalogi over Japanse prenten voor het Rijksmuseum en het Van Goghmuseum. ,,Ik had toen twee baby's en dat liet zich goed combineren met het schrijven van boeken. Maar ik verdiende er weinig mee, dus schreef ik ook catalogi voor veilinghuizen en kunsthandels. Begin jaren tachtig ging het slecht met de kunsthandel. Ik had lang in mijn eentje gewerkt en ik was nieuwsgierig hoe het toeging in dat Haagse, dus toen er in 1983 een baan vrijkwam bij de Rijksdienst Beeldende Kunst, nam ik die aan. Twee jaar later werd ik inspecteur van de Wet Behoud Cultuurbezit.''

Politiediploma

Ze moest een diploma halen voor opsporingsambtenaar, een gedeeltelijk politiediploma dat alleen bevoegdheden geeft op het terrein van een of enkele wetten. ,,Ik volgde een avondcursus bij de Amsterdamse politieschool in een klas met zeventien mannen en ik als enige mevrouw. Na drie avonden vroeg ik: `Kan er misschien één keer een voorbeeld worden gegeven dat niet seksistisch is?' Dat kostte die politiemannen toen nog veel moeite.''

In 1998 kreeg de Inspectie Cultuurbezit er ineens een enorme taak bij: het onderzoek naar de herkomst van alle 4.217 kunstwerken uit het bezit van het rijk die na de oorlog uit Duitsland zijn gerecupereerd. Charlotte van Rappard heeft de leiding van dit project dat de naam Herkomst Gezocht kreeg. Het werd ingesteld nadat er commotie was ontstaan over de teruggave van kunst die door de Duitsers van joden was geroofd. Vooral de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die na de oorlog door de overheid belast was met die teruggave, moest het ontgelden. De SNK zou vooral geïnteresseerd zijn geweest in het verwerven van kunstwerken voor de Nederlandse staat en zich minder hebben bekommerd om de rechten van de oorspronkelijke eigenaren. De commissie Ekkart, die Herkomst Gezocht begeleidt, typeerde de opstelling van de SNK als `formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal harteloos'. Daarom wordt het werk van de SNK, voor zover mogelijk, nu nog eens overgedaan. De commissie Ekkart stelde soepele regels op voor de teruggave van oorlogskunst, die vorig jaar door de regering werden overgenomen. Ook werd een nieuwe commissie gevormd die alle kunstclaims op hun rechtmatigheid beoordeelt.

Charlotte van Rappard zag de bui in 1997 hangen: ,,Er was al deining ontstaan over het joodse goud, de verzekeringen en banktegoeden uit de oorlog, dus het was logisch dat ook de kunst aan de beurt zou komen. In de eerste krantenartikelen over de uit Duitsland teruggehaalde kunst werd de suggestie gewekt dat de Nederlandse musea volhingen met geroofd joods bezit. Ik wist dat dat sterk overdreven was, maar ik had geen idee hoe grondig na de oorlog is uitgezocht wat de herkomst was van al die kunstwerken. We hebben toen een steekproef gedaan en daarbij werd al snel duidelijk dat een volledig onderzoek naar alle 4.217 gerecupereerde kunstvoorwerpen noodzakelijk was. Een museum hoort te weten wat het in de collectie heeft en waar alles vandaan komt. Dat geldt ook voor het rijk. Daarom is dit onderzoek opgezet. Ja, het moet nog dit jaar zijn afgerond en dat halen we ook.''

Kort nadat het eerste rapport van Herkomst Gezocht was verschenen, meldde Het Parool dat haar vader, Karel Boon, na de oorlog bij de SNK had gewerkt, waarmee haar onpartijdigheid in twijfel werd getrokken.

Ze zucht als ik het ter sprake breng. ,,Aan het begin van de oorlog was mijn vader conservator bij het Haags Gemeentemuseum. Daar werd hij in 1942 ontslagen omdat hij weigerde de werkkamer van rijkscommissaris Seyss-Inquart in te richten. Na de oorlog wilde hij opnieuw als conservator aan de slag, maar dat lukte niet meteen. In 1945 en '46 heeft hij toen korte tijd bij de SNK gewerkt. Hij hoorde daar bij de eerste ploeg, die als taak had zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de gerecupereerde kunst. Over de teruggave werden in die beginfase nog geen beslissingen genomen. Ik heb me er zeer aan geërgerd dat ik erop werd aangevallen dat hij daar had gewerkt. Er zat de suggestie van onbetrouwbaarheid in, alsof ik de handelwijze van de SNK zou goedpraten omdat mijn vader er iets mee te maken heeft gehad.''

Als ik haar vraag wat precies haar oordeel is over de opstelling van de SNK, zegt ze: ,,Je moet het binnen die tijd plaatsen. Er hangt nu zo'n sfeer over van: die mensen bij de SNK hadden geen idee wat de joden was overkomen in de oorlog. Maar dat wisten ze heel goed. Veel medewerkers waren zelf joods, of, zoals mijn vader, getrouwd met een joodse vrouw. Ik heb altijd geprobeerd om genuanceerd naar de SNK te kijken, er de twee kanten van te zien. De woede van mensen die na de oorlog hun zaakjes traag en ambtelijk afgewikkeld zagen door de SNK is goed voorstelbaar. Maar aan de andere kant moest de SNK zich aan de regels van het rechtsherstel houden die door de overheid waren opgelegd. De SNK moest ook heel snel uit het niets worden opgebouwd, met weinig personeel en zonder duidelijke instructies. Er zijn veel fouten gemaakt, maar er zijn ook vele honderden kunstwerken netjes teruggegeven aan de beroofde eigenaren. Daarover hoor je nu nooit meer iets.''

Ze haalt een 19de-eeuws Japans boek tevoorschijn, geïllustreerd door de tekenaar Kyosai. ,,Dit is een van de eerste Japanse kunstgeschiedenisboeken. Je kunt er goed aan zien hoe een 19de-eeuwse Japanner heel anders tegen de eigen kunstgeschiedenis aankijkt dan een moderne Japanner. Ik wil maar zeggen dat je altijd moet oppassen met oordelen over het verleden.''

Sinds Herkomst Gezocht in 1998 begon, werd de Inspectie Cultuurbezit overstelpt met brieven en telefoontjes van joodse mensen die hoopten nog iets te weten te komen over hun in de oorlog verloren gegane familiebezit.

Ze zegt dat het haar geen moeite kost al die joodse brieven `met sympathie' te beantwoorden. ,,Ik heet Van Rappard. Dat is een prachtige, aristocratische naam. Daardoor hebben joden hier in Nederland, maar vooral in de Verenigde Staten, vaak een houding van: u weet niet waarover u praat. Dan vertel ik maar meteen dat ik zelf joods ben, dat haalt een hoop van die nutteloze achterdocht weg.''

Saffiertje

Ze wijst op een ingelijste foto in een boekenkast. Het is een jeugdportret van haar moeder, Serlina Rosenberg Polak, door de fotografe Eva Besnyö. ,,Mijn grootouders zijn omgekomen in Auschwitz. Ze hadden een kunstverzameling die door de Duitsers is geroofd. Een paar schilderijen die ze in bewaring hadden gegeven, zijn gered, zoals een doek van Isaac Israëls en een Breitner.'' Ze houdt haar hand op, toont een ring met een vierkant saffiertje gevat in diamantjes en vertelt dat haar grootmoeder die, voordat ze vluchtte, aan haar moeder gaf. ,,Ze werden tijdens hun vlucht opgepakt in Parijs. Mijn grootvader was arts. Je laat je patiënten niet in de steek, daarom zijn ze zo lang in Nederland gebleven. Doordat hun hele huis hier is leeggehaald, waren er ook geen jeugdfoto's meer van mijn moeder, op deze ene foto na.''

Charlotte van Rappard werd in 1944 geboren terwijl haar ouders in Amsterdam waren ondergedoken. ,,Ik was een typische hongerwinterbaby die constant krijste en daarom gingen mijn ouders inwonen bij grootmoeder Boon in Heemstede. Na de oorlog bracht ik mijn jeugd door in Aerdenhout. Mijn moeders familie was al vanaf de achttiende eeuw niet religieus en net als mijn vader werd ik protestants opgevoed. Ik herinner me dat op de lagere school een meisje gepest werd omdat ze joods was. Ik vroeg aan mijn moeder: `Wat is joods?'. Ze begon te lachen en antwoordde: `Jij bent ook joods'. Nee, ik had er niet veel last van – een bril dragen was erger als je jong was. Dat neemt niet weg dat er in de jaren vijftig nog veel antisemitisme in Nederland was. In Aerdenhout woonden deftige families en die groetten mijn moeder niet.''

Even later, met pretogen: ,,Toen mijn kinderen klein waren, zei ik altijd: `Zij zijn de enige joodse riddertjes Van Rappard.'''

Voor haar zestiende verjaardag vroeg ze een Japanse grammatica aan haar ouders en straks als ze gepensioneerd is wil ze `echt goed Japans leren spreken'. Twee jaar geleden schreef ze nog een catalogus over Japanse Surimonoprenten voor het Rijksmuseum. Die prenten fascineren haar omdat ze geboeid is door volkscultuur: ,,Japanse kunsthistorici kijken vaak neer op die prenten. Hokusai stond altijd wel in aanzien, maar die prenten zijn toch een volks product. Dat vind ik leuk. Daarom kan ik ook uren luisteren hoe draaiorgelmuziek in elkaar zit, hoe zo'n orgelband werkt.''

Op mijn vraag of ze de Japanse prentkunst niet veel interessanter vindt dan de controle op ons cultuurbezit, zegt ze: ,,Nee. Ik vind het inspectiewerk belangrijk. Ik houd er ook van, het is nuttig en concreet. Je schrijft een rapport over de conservering van bijvoorbeeld een schilderijencollectie en een jaar later hoor je: `Kom nog eens kijken, jullie hadden toch kritiek?'''

Ze legt uit dat het ontbreken van sancties een probleem is bij de inspectie van de museumcollecties: ,,Als een collectie slecht wordt geconserveerd, is de enige sanctie die we hebben de openbaarheid: we kunnen het aan de Tweede Kamer laten weten. Meestal is het collectiebeheer wel in orde, maar ik maak me toch zorgen. We hadden het Deltaplan dat gericht was op de conservering en restauratie van ons culturele erfgoed. Dat is nu voorbij en in veel musea zie je de aandacht verschuiven naar bezoekersaantallen, naar het bedenken van evenementen en dan ontstaat al snel de neiging om de collectie te verwaarlozen.''

Hoewel ze benadrukt dat `haar achtergrond wetenschappelijk is', is Charlotte van Rappard ook ambtenaar en kan ze niet over alles vrijuit haar mening geven. Soms zwijgt ze dan ook. Bijvoorbeeld als ik begin over de afdeling Kunst en Antiek van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI). Hoewel Nederland een slechte reputatie heeft als doorvoerland van kunstwerken die illegaal uit derdewereldlanden zijn geëxporteerd, werd die afdeling van de recherche onlangs opgeheven. Daarmee verdwijnt ook het centrale registratiesysteem van gestolen kunst. Is er nog een kans dat de regering het besluit terugdraait?

Na enig aarzelen wil ze wel kwijt dat ze er een hard hoofd in heeft. ,,Het is jammer. De Inspectie Cultuurbezit werkte veel met die afdeling samen. Voor de uitvoer van belangrijke kunstwerken uit Nederland naar andere werelddelen is een vergunning nodig van de Inspectie. Als iemand bijvoorbeeld een Etruskische vaas wil uitvoeren, dan checken wij of die vaas niet gestolen is in Italië. Wij belden dan de kunstafdeling van de CRI en daar keek men in het systeem. In die kunstafdeling zaten mensen die zich hadden gespecialiseerd en dat gaat nu verloren. Kunstdiefstal is een groot probleem, zeker als je kijkt naar derdewereldlanden. Frankrijk, Italië, Duitsland en Engeland hebben allemaal aparte rechercheafdelingen die zich hiermee bezighouden. Maar in Nederland heeft de politiek niet echt belangstelling voor dit onderwerp.

,,De Unesco heeft een lijst gepubliceerd met illegaal uit Afrika geëxporteerde voorwerpen. In Amsterdam zit een handelaar die heel brutaal adverteert met dat spul. Ik word door iedereen opgebeld: doe er wat aan. Maar ik kan er niet tegen optreden doordat Nederland nog altijd geen enkel internationaal verdrag heeft geratificeerd over de teruggave van illegaal verhandelde kunst – noch het Unesco-verdrag, noch Unidroit. Ik weet niet hoe dat komt. Ik vrees dat we toch te veel handelsgeest hebben en te weinig cultureel besef.''