In godsnaam geen liefdesbrief

`Liefde' is het thema van de Boekenweek 2002 die komende dinsdag wordt geopend. Maar speelt literatuur als het om liefde gaat nog wel iets klaar?

Op een hete dag in juli 1348 zitten drie jongemannen en zeven jonge vrouwen bij elkaar in de koelte van een kapel. Om hen heen is er bedrijvigheid van bouwheren en handwerkslieden die de kapel om zullen bouwen tot de Santa Maria Novella met de beroemde, symmetrische groenwit marmeren gevel. Buiten de koele muren, in de zinderende hitte van de stad Florence, is de tragedie nog maar net begonnen. De Zwarte Dood waart rond en besmet jong en oud, rijk en arm. De mensen sterven bij honderden tegelijk aan de pest en de heren geneeskundigen kijken machteloos toe voordat ze zelf de pijp uitgaan.

Het groepje beraadslaagt wat te doen. De ene helft van hun stadgenoten heeft zich teruggetrokken uit het openbare leven, voert een streng dieet en doet boete, de andere helft geeft toe aan openbaar caféplezier, aan wijn en dronkemansgezwets tot diep in de nacht, zolang het maar niet over de gevreesde ziekte gaat. Maar er is nog een derde manier om de Zwarte Dood te lijf te gaan, overgewaaid van een Karmeliet uit Parijs, die eenvoudig stelde dat men nooit ook maar één enkele gedachte aan de pest moest wijden, omdat de ziekte ook via gedachten de ziel kon besmetten, en vervolgens het lichaam.

De jongelui in de kapel besluiten naar de laatste medische raad te luisteren, de stad uit te trekken en elkaar verhalen te vertellen over een onderwerp dat het verst van de dood afstaat, namelijk de liefde en de daarbij behorende geslachtelijke inspanningen. Dat besluit leverde de honderd verhalen uit de Decamerone van Boccaccio op, een boek ontsproten aan een letterlijke strijd op leven en dood.

Het bizarre is dat men er in de veertiende eeuw kennelijk van uitging dat verhalen, literatuur, een imaginair gegeven ten slotte, een fysiek resultaat kon boeken, een duidelijk en meetbaar iets als vrijwaring van besmetting. Van alle onderwerpen voor verhalen is de liefde het meest geneeskrachtig van al, dachten de jongelui.

Heeft literatuur in de eenentwintigste eeuw nog dezelfde fysieke werking? Brengt literatuur in liefdeszaken iets tot stand, speelt zij iets klaar? Kan zij een geliefde verwerven, bergen verzetten?

Natuurlijk kennen wij het verschijnsel van de liefdesbrief en het zelfgemaakte liefdesgedicht dat als `postillon d'amour' wordt gebruikt. Elke puber heeft ooit heimelijk een eigengemaakt gedicht in de brievenbus van een begeerde ander geschoven, en wie eens-maar-nooit-meer heeft geluisterd naar een radioprogramma als Candlelight weet dat literatuur het enige is waar die gedichten niets mee te maken hebben. De nagelaten liefdesbrieven van grote schrijvers vallen ofwel ten prooi aan de grote weduwen- en weduwnaarsvuren, of ze hebben het gehalte van de telefoongesprekken van de Prins van Wales. De uitzondering op de regel vormen Flauberts liefdesbrieven aan Louise Colet. Over het algemeen moet de literatuur het niet hebben van liefdesuitbraaksels met een postzegel.

Maar literatuur lijkt nog steeds een van de sterkste machtmiddelen om een geliefde te verwerven. Juist als zij níet over liefde handelt. Juist als zij gaat over dood, macabere grappen, mislukking, verraad, verval, verlies, bedrog en moord, wil zij de harten van lezers en geliefden veroveren. De moderne literatuur is een omgekeerde Decamerone: dáár moesten de verhalen over liefde de dood op een afstand houden, nu moeten de verhalen over dood en mislukking de liefde binnenhalen. Het is maar in welk noodgeval je verkeert.

Er is over dit onderwerp een praktische vraag te formuleren: hoe gaat het in zijn werk, de liefdesverwerving door literatuur die niet over liefde gaat? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat er binnen deze vraagstelling drie categorieën zijn te onderscheiden, die geen van drieën zoden aan de dijk zetten, het is maar dat de beginnende literatuurliefhebber het weet. Buiten de drie genoemde soorten vermag de literatuur in liefdeskwesties niets.

De eerste is de liefde van de lezer voor de persoon van de schrijver. Wie ooit de bundeling opstellen van wijze mannen als Gomperts en Oversteegen heeft gelezen, geschreven vanuit het standpunt van de hartstochtelijke lezers die ze waren, weet dat niet alleen uit een persoon van vlees en bloed, maar ook binnen de twee kaften van een boek een stem op kan klinken die de lezer een `schok der herkenning' geeft: ja, zo voel ik het ook; ja, dat is precies wat ik vind; ja, die toonhoogte is als die van mij; die woordkeus brengt me verder. Je slaat het boek dicht, je weet het nog niet, maar je bent verliefd. Je rent naar de boekhandel om je beginnende verliefdheid te staven met andere boeken van dezelfde auteur; je begint foto's te herkennen en te verzamelen; je probeert meer van hem of haar te weten te komen in het `echte' leven. Wat tegenvalt, doe je af als niet ter zake, wat gunstig uitvalt, koester je. Je weet van de foto's precies welk soort overhemden, welk soort jurken de geliefde draagt; je hebt een onberedeneerde hekel aan al diens levens- of liefdespartners; je wil haar of zijn hele jeugd kennen, vooral de jeugdjaren. Maar als zij of hij toevallig juist in de boekhandel om de hoek signeert, loop je liever een straatje om, dan blozend de aanbedene in de ogen te kijken. Je gedraagt je, kortom, als een verliefde.

Soms gaat de verliefdheid over, soms blijft zij tot over het graf heen bestaan. Met een greep uit eigen ervaring kan ik zeggen dat mijn verliefdheid op J.D. Salinger in rook is opgegaan, omdat hij zich als een preuts meisje blijft verschuilen in de bossen. Voor de goede verstaanbaarheid: we hebben het hier over de persoon van de schrijver, niet over zijn werk. Mijn verliefdheid op Vestdijk, die indertijd dramatische vormen aannam, geldt nog slechts enkele aspecten van hem, terug te vinden in veel van zijn boeken. Ik verslond alles van/over hem; ik kreeg een erotisch oog voor de zogenaamde typische Vestdijk-vrouwen, nogal tragische wezens met een stille blik en brede heupen; ik vermoedde in elke alpinopet- en brildragende man een zelfde brille; ik vergeleek elke situatie hardop met een Vestdijk-citaat. Het ging zelfs zo ver dat, toen hij in 1971 was gestorven, de jongensklas van vijf gym waar ik les gaf een groot tranend hart voor me op het bord tekende.

Mijn verliefdheid op Nabokov duurt al meer dan dertig jaar en is nauwelijks verminderd. Tussendoor bestaan talloze verliefdheden en verliefdheidjes op wisselende schrijvers en schrijfsters, want het leven en lezen heeft zijn eigen vitaliteit. Al met al is dit de schamele oogst van mijn inzet.

De tweede categorie vraagt enige kennis over de manier waarop een schríjver liefde probeert te verkrijgen, die van een geliefd persoon, of die van een anonieme lezer. In het eerste geval kan ik zeggen dat elk pogen nutteloos is. Zodra de persoon omwille van wie het boek is geschreven de prachtige uitgave in handen krijgt, zal zij of hij het onmiddellijk beschouwen als fictie van de puurste soort, als `stof waar dromen van zijn gemaakt', zonder enig aanknopingspunt naar zijn of haar eigen werkelijkheid. De interpretatie die ze na lezing geven van het hen betreffende zal altijd een ver-van-mijn-bed-show zijn, omdat ze niets, maar dan ook niets herkennen van zichzelf, of niet willen kijken in de spiegel die hun wordt voorgehouden, vaak een meedogenloze spiegel want de schrijver is niet zachtzinnig als het om liefde gaat. Pas jaren later, of na zijn dood, zal de schrijver via via te horen krijgen dat de geliefde van toen beweert dat dit-en-dat fragment eigenlijk betrekking heeft op de spreker of spreekster zelf, `tot personage gemaakt in het boek, begrijpt u wel, maar het gaat wel degelijk over mij'. Veel schrijvers liggen onrustig in hun graf en vervloeken hun zonde. Het is een betrekkelijke rust voor de auteur dat niemand van de aangesprokenen begrijpt waar hij of zij het over heeft, omdat de roman, of het gedicht, immers `veel wijdere thema's' bevat.

De liefde van de schrijver voor de anonieme lezer is een ander verhaal. Die liefde bestaat niet. Als een schrijver achter zijn werktafel zit, laat elke gedachte aan de toekomstige koper van zijn boek hem koud. Hij heeft het hele heelal tot zijn beschikking, kan zich verwonderen over alle dingen onder en boven de aarde, hij kan elke liefde bedenken en elk gewenst personage daarbij, moederliefde, religieuze liefde, prille liefde, perverse liefde, onbeantwoorde liefde, huis-tuin-en-keuken liefde, dierenliefde, schreeuwende liefde, sussende liefde, kussende liefde maar de liefde voor zijn lezer ontbreekt hem. Zodra er ook maar een vlaag aan zijn toekomstige lezer zijn hersens binnendringt, wordt zijn pen gedoopt in zoete melk met room, of wordt die, van de weeromstuit, tot een onbeweeglijk stuk graniet. De schrijver heeft eigenlijk een afkeer van zijn lezer. Het is beter om dat niet hardop te zeggen, maar het is waar. Tijdens het schrijven is zijn lezer een hindernis, tijdens ontmoetingen met lezers maken ze hem verlegen, onhandig, een dwaas of een opschepper. Hij is nog maar een tiende van zijn briljante zelf van achter de schrijftafel, hij heeft het gevoel dat hij elk moment kan worden ontmaskerd. Voor de liefde van de schrijver voor zijn lezer is er eenvoudig geen plaats.

TTen slotte is er nog de aardigste categorie, net zo min altruïstisch als de bovengeschetste verhoudingen, maar opener en vrijblijvender. Dat is de poging de liefde van een man of vrouw, een meisje of jongen, te winnen door hem of haar literatuur cadeau te doen. Niet het gebaar dat je maakt als je iemand een warm hart toedraagt en denkt: `Welk boek zou die of die nu echt mooi vinden?' Dat is louter goed gedrag op verjaarspartijtjes. Maar het willen veroveren door middel van een boek dat je geeft, waarin je hele hebben en houwen door een vreemde dichter of schrijver kant en klaar op papier is gezet. ,,Hier'', zeg je, ,,Zie je, ik hou van je,/ik vin je zoo lief en zoo licht-. Ik heb geen betere woorden dan de woorden in dit boek, misschien begrijp je het nu. ik wou het helemaal zeggen -/Maar ik kan het toch niet zeggen.''

Deze methode is de minst vernederende. In het ergste geval zal de aanbedene denken: daar heb je die idioot weer met een boek. Staan de sterren gunstig dan zal hem of haar een licht opgaan, de roman of het gedicht zal dezelfde gevoelige snaar raken als bij jezelf het geval was, en gedeelde smaak is het halve werk.

In alle drie soorten liefdeshengelen is de uitkomst uiterst twijfelachtig. Literatuur schept illusie waar men bedrogen maar gelouterd uitkomt. Sinds de mensheid stil kan lezen zonder de lippen te bewegen is literatuur er voor de enkeling, niet voor het stelletje. Vestdijk las al zijn tweeënvijftig romans voor aan zijn kersverse bruid, het moet een hel van een huwelijk zijn geweest. Het schijnt dat Diogenes, toen hij eens de agora van Athene betrad waar een mensenmeningte luisterde naar een dichter die voordroeg uit eigen werk en bijna het einde van de voordracht had bereikt, tot opluchting van allen riep: `Moed houden, stadgenoten, land in zicht!' En zelfs Flaubert schijnt zich, wanneer hij zich een enkele keer met moeite had losgerukt van het meubilair van zijn moeder, in de Parijse salons gehaat gemaakt te hebben door zijn brallerig vertoon van meesterschap. Er is weinig tot geen hoop voor de liefde door middel van literatuur.

Misschien is die oplossing de beste, die Viktor Sjklovski koos. In 1923 zwierf hij, net zoals Nabokov alias Sirin in die tijd, als banneling van de Oktoberrevolutie in Rusland door Berlijn. In zijn roman Zoo of brieven niet over de liefde wil hij aanvankelijk een vrouw het hof maken, op wie hij dodelijk verliefd is. De vrouw antwoordt hem dat hij haar best mag schrijven, maar in godsnaam geen brieven over de liefde. Dus schrijft hij haar elke dag, zonder met een woord over zijn liefde te reppen. Over het weer in de Berlijnse dierentuin, over pantoffels, over de Russische tafelmanieren, over de mentaliteit van een winkelende vrouw. Zo nu en dan moet hij zichzelf, al schrijvende, herstellen: ,,Sneeuw hebben we dit jaar in Berlijn zo goed als niet gehad. Het is vandaag 5 februari... Je ziet, geen woord over liefde. Ik draag mijn herfstjas, maar als het ging vriezen, zou ik hem mijn winterjas moeten dopen.'' Zo gaat het het hele boek door.

Het beeld dat uit Zoo of brieven niet over liefde naar voren komt is dat van een arme, begaafde maar warhoofdige Russische sloeber in een koude, vreemde stad. Geen cent te makken, maar op de hoogte van alle literaire roddels. Zeg nu zelf, wie zou op zo'n man verliefd worden?