Ik zeg dat heel eerlijk

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, klinkt op de achtergrond het lijsttrekkersdebat van woensdag in de herhaling. Op de redactie woeden de discussies over de déconfiture van de gevestigde orde. U begrijpt wel wat ik hiermee bedoel, en u denkt: waarom schrijft die man niet gewoon dat de bazen van paars zwaar op hun bek hebben gekregen? Goed.

In 1998 is de baanbrekende verhandeling van Jan Stroop over het Poldernederlands verschenen, een nieuw soort Nederlands dat volgens de auteur het best wordt gesproken door hoger opgeleide jonge vrouwen. Op den duur zal volgens de schrijver dit Nederlands het Algemeen Beschaafd verdringen en vervangen. De theorie van Stroop heeft zich verbreid, ook al omdat er heil veil waarhaid in schault. Erkende deskundigen kunnen zich in het openbaar van zijn inzichten bedienen zonder zijn naam te noemen en dan van plagiaat te worden beschuldigd, heb ik gemerkt. Dat is het hoogste wat je met een theorie kunt bereiken.

Intussen is er nog meer Nederlands in ontwikkeling, dat het ook verdient om wetenschappelijk te worden vastgelegd en verklaard. Ik bedoel nu niet het verschijnen van nieuwe woorden. Dat wordt regelmatig in kranten en boeken door een aantal lexicografen bijgehouden. Daarvoor bestaat grote belangstelling en daarmee wordt weer bewezen dat het Nederlands niet op sterven na dood is. Maar het is niet alleen een komen en gaan van de woorden op zichzelf. Ook het gebruik van de bestaande en zich vernieuwende woordenschat verandert. Dat kan wijzen op een verandering in het denken.

Ik noem een paar voorbeelden. Er bestaat een neiging om wat in het algemeen het gemiddelde teboven gaat te bagatelliseren of te ironiseren. Worden onze soldaten uitgezonden om in een ander werelddeel te vrede te bewaren, dan komt de minister van Defensie vertellen dat ze een hele klus voor de boeg hebben. Merkt iemand dat haar auto gestolen is, dan lees of hoor je dat het wel even slikken voor de benadeelde was. Wordt een kunstenaar geÏnterviewd nadat hij iets passabels tot stand heeft gebracht, dan rust de vragensteller pas nadat het allerdiepst ontzettende, het heel geweldige uit zijn creatieve ziel is blootgelegd. Ik noem het de trend van de polarisatie-anders. Groot wordt klein en klein wordt groot. Systematische tekstcritiek zal dat bevestigen. Daarna komt de vraag wat van de polarisatie-anders de oorzaken zijn. Die liggen in deze tijd besloten.

Nu het lijsttrekkersdebat. Daar werd door de vertegenwoordigers van de gevestigde orde ook een soort poldernederlands gesproken dat een nadere analyse waard is. ,,Het kan niet zo zijn dat in dit land we niet samen, met ons allen, in goed overleg, wij in dit land, zoals we hier zitten tot een werkbare consensus kunnen komen'', hoor ik om de hoek van mijn kamer iemand op de televisie in de herhaling zeggen. Is dat een socialist, een liberaal, een christen? Ik volg de politiek niet zo nauwkeurig dat ik de stemmen uit elkaar kan houden. Praten ze thuis ook zo? Als ze voor de microfoon komen, is het alsof ze hun stembanden hebben ingevet.

Let op de herhalingen. Ga eens turven. In dit land. Wij in dit land. Samen. Nemen wij de verantwoordelijkheid. Kort door de bocht. In goed vertrouwen. In goed overleg. Zeg ik heel eerlijk. Moet het mogelijk zijn. Kan het niet zo zijn. Enzvoort.

Vorig jaar is van Marc De Coster verschenen het Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Een nuttig en boeiend lexicon. In bijna 500 pagina's meer dan 2.000 eufemismen, met vindplaats, omschrijving en voorbeelden in hun context. In 1992 verscheen van Riemer Reinsma Prisma van de eufemismen. De knaldempers van de taal. Ook een mooi boek, waarin de eufemismen in maatschappelijke categorieën zijn ondergebracht en in hoofdstukken essayistisch geduid. Beide woordenboeken geven een goede aanloop tot een beter begrip van de toestand tussen deze twee verkiezingen.

Voor het eerst krijgt het poldernederlands dat in politiek Den Haag de voertaal is, een werkelijk politieke betekenis. De zalvende stoplappen, de niets betekenende herhalingen, de slappe retoriek zoals men die daar met de hand op het hart ten beste geeft, het hele complex van eufemismen, in idioom en syntaxis, komt het kiezersvolk kennelijk de strot uit. De Haagse retoriek (daarbij inbegrepen mimiek en motoriek) heeft zich aan de werkelijkheid ontzongen. Zij, zoals ze daar zitten, in dit land, samen, zullen heel eerlijk van de beste bedoelingen bezield zijn. Maar iets in een directe volzin over het voetlicht brengen, dat lukt niet meer. Ook vandaar de déconfiture van zes maart.