Hoogverraad in het Witte Huis

Als presidentskandidaat saboteerde Richard Nixon het vredesproces in Vietnam. Toen hij eenmaal president was, suggereerde hij kernwapens in te zetten, bleek uit onlangs vrijgegeven archiefmateriaal. Twee boeken maken opnieuw

de balans op.

In zijn onderzoek naar Amerikaanse militaire interventies in de jaren negentig ontmoette David Halberstam `de geest van Vietnam', schrijft hij in War in A Time of Peace (besproken in Boeken, 5.10.01). Halberstam, zelf een journalistieke veteraan van de Vietnamese oorlog, kwam bij zijn studie van die `oorlogen' hetzelfde onvermogen tegen dat hij had waargenomen aan de oevers van de Mekong, het onvermogen van bureaucratieën, militaire en civiele, om aan zichzelf en aan de wereld uit te leggen waar zij mee bezig waren.

Halberstams boek ging niet over Vietnam, er klinken slechts verre echo's van die oorlog in door. Maar ook expliciet wordt er nog volop geschreven over de Indo-Chinese troebelen waarin Amerika verwikkeld raakte. Larry Bermans No Peace No Honor heeft het meest recent in Amerika de aandacht getrokken met een felle aanklacht tegen president Nixon en diens veiligheidsadviseur Henry Kissinger, die volgens hem samen hun bondgenoot Zuid-Vietnam in de steek lieten. Het nadeel van een dergelijke `individualisering' is, dat aan de diepere oorsprongen van het debacle wordt voorbijgezien. Dat voorkomt A Grand Delusion van Robert Mann, een boek dat weliswaar uitsluitend gebaseerd is op Amerikaanse bronnen, maar toch de wortels van de ontsporing zoekt waar zij gezocht moeten worden: in het begin van de Koude Oorlog. Daar neemt het Amerikaanse zelfbedrog en de misleiding een aanvang die opeenvolgende regeringen, volksvertegenwoordigingen en generaties burgers in de luren zouden leggen, op een enkele criticus na.

Mann somt negen voorbeelden van zelfbedrog en misleiding op. Ten onrechte geloofde men dat het internationale communisme en niet Frans kolonialisme het gevaar was en dat het Vietnamese nationalisme vanuit Moskou en Peking werd gedirigeerd. Eisenhower (1953-1961) en zijn adviseurs meenden ten onrechte dat de gewapende strijd tegen de Vietminh gewonnen werd. Amerikaanse leiders zagen ten onrechte in de Zuid-Vietnamese premier en latere president Ngo Dinh Diem een democratisch hervormer. Kennedy veronachtzaamde de waarschuwingen van Amerikaanse verslaggevers in Vietnam en weigerde een herwaardering van het beleid. Gedurende de jaren zestig gingen Kennedy en na hem Johnson ervan uit dat militaire macht een legitiem substituut was voor `het winnen van de harten en geesten' van de Vietnamezen. In het verkiezingsjaar 1964 misleidde Johnson de kiezers met zijn belofte dat de oorlog niet zou worden uitgebreid. Johnson misleidde dat jaar eveneens het Congres over het zogenaamde Tonkin-incident, waarna de volksvertegenwoordiging hem een blanco volmacht gaf. Evenals Kennedy geloofde Johnson ten onrechte dat bombardementen de oplossing binnen bereik brachten. Johnson en later Nixon misleidden, tenslotte, de Amerikaanse kiezers wat betreft de stappen die zij bereid waren te zetten om vrede te bereiken.

China

Een beslissende betekenis voor die politiek van zelfbedrog en misleiding hecht Mann aan `het verloren gaan van China' in 1949 aan de communisten. President Truman en het State Department kenden de waarheid, schrijft Mann, en begrepen dat in China het tij alleen gekeerd kon worden met een massale militaire interventie. Dat zou van China een Amerikaans protectoraat hebben gemaakt, `iets waartegen zelfs de vurigste supporters van Tsjiang Kai-sjek (China's Nationalistische president) zich zouden hebben gekeerd'.

De val van China was koren op de molen van Trumans Republikeinse critici. De isolationistische stroming in die partij bekeerde zich tot interventionisme overal waar het communisme bestreden kon worden. Toen ook nog eens de oorlog in Korea in een impasse eindigde en generaal MacArthur, wegens insubordinatie door Truman ontslagen, als gedecoreerde oorlogsheld in de straten van New York was gevierd, was het hek van de dam. Een obscure senator uit Wisconsin, Joseph R. McCarthy, wierp zich op als woordvoerder van de algemene frustratie en ontketende een heksenjacht tegen kunstenaars, wetenschappers, journalisten en diplomaten. Truman noch Eisenhower had een verweer van enige betekenis.

Mann overtuigt met zijn stelling dat deze ervaringen opeenvolgende regeringen parten speelden bij het beantwoorden van de communistische uitdaging in de wereld. Vermeende zwakheid oog in oog met de vijand was genadeloos afgestraft. Reputaties waren geknakt, carrières in dienst van de natie om zeep geholpen, objectieve geschiedschrijving voor generaties belast. Eisenhower, Kennedy en Johnson voerden de oorlogen op verre slagvelden dan ook in het geheim, een openbaar debat over doel en middelen zoveel mogelijk uit de weg gaand. Succes was politiek onmisbaar aan het thuisfront, zoals de ervaring van Truman had bewezen. Dus wás er succes, ook al leende het hit-and-run karakter van de verschillende guerrilla's in voormalig Frans Indo-China zich nauwelijks voor beoordeling in termen van nederlaag en overwinning.

De bom barstte in 1968, ironisch genoeg nadat de Amerikanen onweerlegbaar een overwinning hadden geboekt in het Tet-offensief. De Vietcong, de opstandige beweging in het zuiden, was gedecimeerd. Tweede ironie: toen het Noorden in 1975 eindelijk Saigon veroverde, beschikte het zuiden nauwelijks meer over een eigen stem in het kapittel, een stem waarvoor nu juist zoveel Zuid-Vietnamezen en Amerikanen waren gesneuveld.

In Amerika zelf kwam vanaf 1968 de anti-oorlogbeweging op gang die het land zou splijten en de vijandschap tussen Democraten en Republikeinen zou opschroeven tot een punt waar een president naar onwettige middelen greep om zijn herverkiezing veilig te stellen. Waar Vietnam stond voor grootschalige politieke misleiding, daar demonteerde de Watergate-affaire het laatste restje vertrouwen in de integriteit van de bewoner van het Witte Huis.

Wantrouwen

Over die bewoner, Richard Nixon, en diens adviseur, Henry Kissinger, schrijft Berman in No Peace, No Honor. Zijn oordeel over deze president is niet wezenlijk anders dan dat van Mann. Volgens Berman hebben beide mannen verraad gepleegd, aan het Amerikaanse volk, aan de Zuid-Vietnamese bondgenoot en op een bepaalde manier ook aan de communistische tegenstander. Nixons wantrouwen in iedereen en alles werd gevoed door zijn ervaringen uit 1960, toen Kennedy hem de verkiezingen `ontstolen' had. Nixon was ervan overtuigd dat hij zonder trucs geen verkiezingen kon winnen en dat de Republikeinen in de Democraten hun meerderen moesten erkennen wanneer het ging om vuil spel.

Berman haalt het verhaal op van de troeven die Johnson en Nixon in 1968 tegen elkaar uitspeelden. Johnson had de FBI het campagnevliegtuig van Nixon van afluisterapparatuur laten voorzien. Hij verdacht Nixon ervan (en terecht, zo is gebleken), dat hij president Thieu van Zuid-Vietnam heimelijk probeerde te overreden om Johnsons vredesvoorstellen te boycotten. Thieu zou dan betere voorwaarden krijgen als Nixon had gewonnen. Stilstand in het nog maar net begonnen Parijse vredesoverleg met de Vietnamese communisten, zou Nixon in de campagne goed van pas komen. Nixon werd gekozen, maar toen hij tijdens het Watergateschandaal in zijn tweede termijn probeerde de Democraten onder druk te zetten door Johnson in opspraak te brengen (door het afluisteren van zijn campagnetoestel in de publiciteit te brengen), dreigde de oud-president Nixons landverraderlijke bemoeienis met het vredesproces te onthullen.

Volgens Berman waren Nixon en Kissinger nimmer serieus van plan de bombardementen op Vietnam te beëindigen. De `vietnamisering' van de oorlog was volgens hem niet bedoeld als de opmaat voor duurzame vrede die het volk werd voorgehouden, maar als opportunistisch middel om het Amerikaanse leger uit het moeras te halen waarin het was vastgelopen. Volgens het scenario van Nixon en Kissinger zouden de Noord-Vietnamezen na het Amerikaanse vertrek uit Indochina op een zeker moment tot een grootscheepse invasie van het zuiden overgaan. De Amerikaanse luchtmacht zou dan met al haar middelen ingrijpen. In Parijs ging het erom ruimte te verwerven voor de terugtrekking van de grondtroepen en de overdracht van krijgsgevangenen. Maar Thieu, in Saigon, bleek een bondgenoot die dwars lag. Het Congres was daarna niet langer bereid Zuid-Vietnam met geld en wapens te steunen.

Berman verwerpt Kissingers stelling dat de weigerachtigheid van het Congres de overname van Zuid-Vietnam door het Noorden, een soort dolkstootlegende, mogelijk maakte. Inderdaad kwam het in 1975 tot de Noord-Vietnamese invasie die Nixon had voorzien, maar de Amerikaanse luchtmacht bleef aan de grond. Thieu vluchtte naar Amerika. Vele Zuid-Vietnamezen verdwenen in de communistische opvoedingskampen. Een tragedie die met Eisenhowers steun aan de Fransen was begonnen, eindigde in Amerika's eerste militaire nederlaag.

Is dit alles na de elfde september nu werkelijk alleen maar geschiedenis? De hier besproken boeken zijn van voor die datum. Het Amerikaanse volk beleeft een nieuwe eensgezindheid, wordt gezegd. Het zou een positief gevolg zijn van een barbaarse daad. Maar toch heeft de geschiedenis van de Koude Oorlog, inclusief de hete oorlog in Vietnam, iets te zeggen voor nu. Onder indruk van de gevaren die Amerika en de vrije wereld bedreigden besloten Amerika's leiders tot het verheimelijken van de wijze waarop zij op die gevaren reageerden. Toen de heimelijkheid niet langer volgehouden kon worden, scheurde de Amerikaanse samenleving en raakten de leiders geïsoleerd. De tegenstander bleef in veel opzichten ongrijpbaar, de Verenigde Staten raakten verstrikt in een ver land dat zich niet liet kennen.

Misschien goed om toch nog eens naar de waarschuwende stemmen uit het verleden te luisteren.

Larry Berman: No Peace, No Honor. Nixon, Kissinger, and Betrayal in Vietnam. The Free Press, 334 blz. €36,82 Robert Mann: A Grand Delusion. America's Descent into Vietnam. Basic Books, 821 blz. €29,95