Het geheim van de schildklier

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Dat hebben we gehad' van Robert Graves (vert. Guido Golücke, De Arbeiderspers Oorlogsdomein, 410 blz. euro 22,95 geb.)

Negen hoofdstukken lang is Dat hebben we gehad / Goodbye to All That van Robert von Ranke Graves (1895-1985) een vermakelijk verslag van een Britse upper-classjeugd in het eerste decennium van de vorige eeuw. We lezen over familieperikelen, over vakanties op landgoederen in Beieren en Wales, en over een archetypische kostschooltijd (vol practical jokes en oefeningen in homoseksualiteit) die herinneringen oproept aan het werk van Evelyn Waugh en Anthony Powell; we grinniken bij het advies dat de jonge dichter in spe na zijn eindexamen van de strenge schooldirecteur te horen krijgt: `Nou, het ga je goed, Graves, en denk erom, je beste vriend is de prullenbak.'

En dan, binnen een tiental bladzijden (en een paar maanden, want het is eind 1914), bevinden we ons mét officier Robert Graves van de Royal Welch Fusiliers in de Noord-Franse loopgraven. De verschrikkingen zijn bekend, maar in de nuchtere en laconiek-cynische stijl van Graves – een erfenis, zo zegt hij zelf, van zijn Duitse oudoom-historicus Leopold `wie-es-eigentlich-gewesen' von Ranke – krijgen ze nieuwe kracht. Te meer daar Graves de verhalen over zinloze stormlopen, met lijken bezaaid prikkeldraad, oprukkend ongedierte, natte kou, kogelwonden en shell shock, heeft doorspekt met bloedstollende verhalen over incompetentie te velde en desinteresse aan het thuisfront. Zo mislukt in 1915 een Britse gasaanval doordat de juiste steeksleutels niet bij de granaten geleverd zijn, en krijgt het moreel gevoelige klappen bij ieder bewijs van het feit dat de Franse burgers hun geallieerde beschermers te pas en te onpas een poot proberen uit te draaien.

Graves beschrijft de gruwelen – met als dieptepunt het verhaal over een zwaargewonde soldaat in niemandsland die zijn knokkels kapotbijt in een poging om zichzelf het schreeuwen te beletten (en zo zijn maten in gevaar te brengen). Maar hij analyseert ze ook. Curieus klinkt zijn medische verklaring voor de `neurasthenie', en daarmee de geestelijke ongeschiktheid voor frontdienst, waarmee alle officieren na een maand of zes te maken kregen: door de deprimerende eentonigheid van het leven in de loopgraven hield de schildklier op met het rondpompen van kalmerende stoffen in de bloedbaan. Ten minste zo interessant is Graves' uitweiding over de Britse regimentstrots, die oneindig veel motiverender (en doodsverachtender) was dan vaderlandsliefde of godsdienst: `Nauwelijks één op de honderd soldaten werd geïnspireerd door ook maar de primitiefste religieuze gevoelens.'

Zoals de titel al aangeeft, is Dat hebben we gehad ook een afrekening. Niet alleen de hypocriete en incompetente heersende klasse van Groot-Brittannië krijgt ervan langs, maar ook de familie- en vriendenkring van de schrijver. De vrijmoedigheid van zijn memoires – waarin hij ontmoetingen beschrijft met onder meer Ezra Pound, Thomas Hardy, Lloyd George en T.E. Lawrence (van wie hij nog vier hoofdstukken van het manuscript van The Seven Pillars of Wisdom krijgt om ten eigen bate te veilen) – leverde hem veel kritiek op. En aan zijn vriendschap met collega-`War Poet' Siegfried Sassoon kwam na publicatie zelfs definitief een einde. In de late jaren twintig, na zijn scheiding van de feministe Nancy Nicholson, emigreerde Graves gedesillusioneerd naar Mallorca.

Aan het begin van Dat hebben we gehad constateert Graves dat ten minste één op de drie van zijn schoolgeneratie in de Eerste Wereldoorlog is gesneuveld: `de gemiddelde levensduur van een subaltern officier aan het westelijk front was in sommige stadia van de oorlog niet langer dan zo'n drie maanden.' Graves overleefde, en publiceerde behalve de herinneringen aan zijn eerste 33 jaar (`sindsdien is weinig voorgevallen dat interessante stof vormt voor een autobiografie') tientallen dichtbundels, honderden non-fictietitels en twintig romans, waaronder de briljante – en meesterlijk voor televisie bewerkte – historische drama's I Claudius en Claudius the God (1934). Het doet je eens te meer beseffen hoeveel grootse literatuur er aan de Somme in de kiem is gesmoord.