Held van de Nixon-haters

Daniel Ellsberg was verantwoordelijk voor het grootste lek in de politieke geschiedenis van Amerika: het doorsluizen naar de pers van een geheime regeringsstudie naar de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam. Recente openbaarmaking van nieuwe bandopnames van Nixon en van memo's van diens medewerkers, verwerkt in de hier besproken boeken, leveren het definitieve bewijs dat er een direct verband bestond tussen de Pentagon Papers en het latere Watergate-schandaal, dat Nixon tot aftreden dwong.

Socioloog Tom Wells en publicist Richard Reeves verschaffen, met gebruikmaking van het onlangs vrijgegeven archiefmateriaal, uniek inzicht in wat er in het Witte Huis gebeurde nadat de New York Times op de voorpagina van 13 juni 1971 het eerste deel van de Pentagon Papers publiceerde, naast een foto van Nixon met zijn net getrouwde dochter Tricia. Reeves concentreert zich op de president; Wells op zijn tegenpool, de `lekker' Ellsberg.

De president reageerde in eerste instantie verheugd op het nieuws ('Goddamn, I want this thing inflamed'). Uit de berichtgeving viel namelijk op te maken dat het Amerikaanse avontuur in Vietnam vooral op het conto kon worden geschreven van zijn Democratische voorgangers John Kennedy en Lyndon Johnson, en negatieve publiciteit over dit duo bracht hem altijd in een goed humeur. De stemming sloeg om nadat veiligheidsadviseur Henry Kissinger de president influisterde dat dit `reuzenlek' hem in de ogen van het buitenland tot een zwakkeling maakte. Geen regeringsleider zou nog `in het geheim' met hem willen onderhandelen, uit angst dat de beraadslagingen kort daarop in de New York Times zouden staan.

Kort daarop bleek Daniel Ellsberg, een oud-medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Defensie die nu was verbonden aan de RAND-denktank, voor het lek verantwoordelijk te zijn. De CIA werd ingeschakeld om een psychologisch profiel van Ellsberg te schrijven. Het resultaat viel tegen, waarna clandestiene medewerkers van de president – de zogeheten loodgieters – op zoek gingen naar nieuwe, belastende informatie. Met impliciete goedkeuring van Nixon pleegden ze een inbraak in het kantoor van Ellsbergs psychiater; het eerste avontuur van Nixons bijzondere assistenten dat het daglicht niet kon velen.

Hedonist

Wie was deze Ellsberg? Wells portretteert hem als een intelligente maar rusteloze man, die de Pentagon Papers in de eerste plaats lekte uit zucht naar roem en erkenning. Ook koesterde hij de (misplaatste) hoop dat de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam erdoor zou worden beëindigd. De joodse Ellsberg, intellectueel, ambtenaar en hedonist, was geknipt voor de rol van vijand van de president. Hij personifieerde voor Nixon het verval van Amerikaanse kracht in de jaren zestig: verzamelaar van erotica, aanhanger van de vrije liefde, consument van experimentele drugs, een vader die zijn kinderen verwaarloosde en zijn eerste vrouw alleen alimentatie betaalde als hij geld over had.

Toch was Ellsberg aanvankelijk een uitgesproken `cold warrior': trots op zijn opleiding bij de mariniers en zijn diensttijd in Vietnam, als medewerker van de geheim agent Edward Lansdale. Ellsberg was fel anticommunistisch en ervan overtuigd dat Amerika in Vietnam kon winnen, als de Zuid-Vietnamezen maar zouden worden vervangen door GI's. Ook na zijn terugkeer in de Verenigde Staten in 1967 was hij nog een havik. Hij vond emplooi bij RAND, waar hij na zijn studie was begonnen. Nu werd hij door het Pentagon gevraagd mee te werken aan een studie naar de Amerikaanse rol in Zuid-Oost Azië. De Pentagon Papers openden hem de ogen voor `de Amerikaanse agressie' in Vietnam.

Duif

In korte tijd veranderde hij daarna van een havik in een even agressieve duif. Hij sluisde kopieën van de Papers door naar de pers, en dook onder nadat de Times ze had gepubliceerd. Op eigen houtje meldde hij zich na verloop van tijd bij de politie. Eindelijk was hij de nationale figuur die hij volgens Wells zijn hele volwassen leven had willen zijn.

Nixon vreesde na de publicatie van de Papers al dat `deze klootzak met een standbeeld op het plein voor Harvard' zou worden geëerd. Nadat de rechtszaak tegen hem werd geseponeerd werd Ellsberg inderdaad een held voor alle Nixon-haters. Lang duurde dat overigens niet. Zijn heldenrol werd overschaduwd door de zelfvernietiging van Nixon in de Watergate-affaire.

In de jaren tachtig ontpopte Ellsberg zich tot een beroepsactivist. Hij holde van demonstratie naar demonstratie, protesteerde tegen kernwapens, apartheid en de Reagan-politiek in Latijns-Amerika. Zijn proefschrift uit 1962 was het laatste project dat hij afmaakte, constateert Wells droog. Een zeker eerherstel volgde eind jaren negentig, toen uit archiefstukken bleek dat híj de vijand was die Nixon op het pad naar Watergate had gebracht.

Wild Man is helaas geen meeslepend, maar vooral een nuttig boek geworden; in zijn behoefte Ellsberg te ontmaskeren zet Wells voortdurend diens mening af tegen die van anderen, met voor de lezer het ondankbare gevolg dat hij zich door een brij van leugens en `waarheidsvinding' moet werken. Deprimerend stemt daarnaast Wells' gewoonte om zijn mening te geven over het gebrekkige karakter van Ellsberg en diens uitbundige seksleven. Secretaresses, stewardessen, echtgenotes en hun vriendinnen; keer op keer vernemen we dat Ellsberg er geen genoeg van kon krijgen en op weinig weerstand stuitte. Al die vrouwen die vallen voor de `man van de Pentagon Papers'; geen wonder dat Nixon hem niet kon uitstaan.

Richard Reeves: President Nixon. Alone in the White House. Simon & Schuster, 702 blz. €46,06

Tom Wells: Wild Man. The Life and Times of Daniel Ellsberg. Palgrave, 650 blz. €42,77