Ellendig is hij in zijn element

In het eerste deel van zijn memoires, Jongensjaren, vertelt de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee over hoe hij als jongetje wilde schrijven: niet de saaie opstellen over sport of veiligheid op de weg die zijn leraren hem opdragen. `Wat hij zou schrijven als hij kon [...] zou iets donkerders zijn, iets wat zich, zodra het eenmaal uit zijn pen begon te vloeien, onbeheersbaar over de bladzij zou verspreiden, als gemorste inkt. Als gemorste inkt, als schaduwen die zich over het oppervlak van stilstaand water reppen, als de bliksem die door de lucht kraakt.' Het is inderdaad een goede omschrijving van de meesterwerken die Coetzee later zou produceren, donkere, meedogenloze romans als Waiting for the Barbarians, Life and Times of Michael K en zijn meest recente, en misschien wel somberste werk, Disgrace.

Jongensjaren eindigt wanneer de verteller een jaar of dertien is, en het lijkt er dan op dat het nog alle kanten op kan gaan met dit eenzelvige, intelligente en soms tirannieke jongetje. In het tweede deel van Coetzees memoires, Portret van een jongeman, vinden we de verteller, John, terug als een negentienjarige student met brandende literaire ambities. Maar wie nu denkt hier een verhaal aan te treffen van de Bildung des schrijvers, de missing link tussen het pittige jochie uit Jongensjaren en de tweevoudige Booker Prize-winnaar, komt voor een grote verrassing te staan. Portret van een jongeman is namelijk het verslag van een artistieke mislukking die zo totaal is dat aan het einde de 24-jarige John, net zoals wel meer hoofdpersonen uit Coetzees werk, zonder enige illusie of hoop achterblijft.

Dit verbazingwekkende vervolg op Jongensjaren is vandaag in Nederlandse vertaling verschenen bij uitgeverij Cossee. Een bijzondere coup van Cossee, want als speciale gunst aan de nieuwe uitgeverij stond Coetzee toe dat de Nederlandse editie zo'n twee maanden voor de oorspronkelijk Engelse kon verschijnen. Coetzee heeft deze versie overigens zelf gelezen en geautoriseerd.

In Portret van een jongeman heeft het zelfbewuste jongetje uit Jongensjaren plaatsgemaakt voor een wat tobberige nerd vol twijfel en zelfverwijten, die tegelijkertijd vervuld is van een rotsvast geloof in zijn kunstenaarschap. John studeert wiskunde aan de universiteit van Kaapstad, maar zijn plan is om na zijn afstuderen naar het buitenland te gaan om zich aan de poëzie te wijden. Hij woont in een eenkamerflat, kookt soep voor zichzelf waar hij de hele week mee doet, en heeft een reeks bijbaantjes om financieel onafhankelijk te zijn: `Hij bewijst iets: dat ieder mens een eiland is; dat je geen ouders nodig hebt.' Het wachten is alleen nog op de voorbestemde geliefde, die door zijn saaie uiterlijk heen in hem de vlam van de ware kunstenaar zal herkennen, en door haar liefde de gewenste transformatie tot dichter tot stand zal brengen. `Ondertussen maken zijn saaiheid en zijn vreemde uiterlijk deel uit van een beproeving die hij moet doorstaan om op een dag in het licht te kunnen treden: het licht van de liefde en het licht van de kunst.'

Een beproeving, voor minder kun je geen dichter of kunstenaar worden, denkt John, en een beproeving is wat hij krijgt, of liever, zichzelf aandoet. Omdat voor hem kunst en liefde onlosmakelijk verbonden zijn, begint hij willekeurig verhoudingen met vrouwen waar hij echter weinig voor voelt. Zo laat hij het zich maar aanleunen wanneer een van hen opeens bij hem intrekt, ook in de hoop zijn kennis op erotisch gebied te vergroten. Het is geen succes: `Na twaalf uur dienst in de kliniek gevolgd door een maaltijd van bloemkool met witte saus gevolgd door een avond humeurig zwijgen, is Jacqueline niet geneigd gul met zichzelf te zijn.'

Wanneer door de instabiele politieke situatie in Zuid-Afrika de kans groter wordt dat hij wordt opgeroepen voor het leger, vertrekt John zonder zijn studie te hebben afgemaakt naar Londen, een van de `twee, misschien drie plaatsen op de wereld waar het leven werkelijk intens geleefd kan worden'. Hij is in ieder geval vastbesloten geen bohémien te worden, `dat wil zeggen, een dronkelap en een klaploper en een nietsnut', dat lijkt namelijk te veel op zijn vader. Ook ziet hij niets in opium, alcohol, of andere romantische excessen, bang als hij is voor de gezondheidsrisico's. John verkiest de weg van Kafka, Eliot, Wallace Stevens: een rustige kantoorbaan. Hij wordt leerling-programmeur bij IBM, en probeert ondertussen zijn weg te vinden door het ongenaakbare, koude doolhof dat Londen voor hem is.

Hij loopt dus doelloos door de straten, zonder mensen te ontmoeten, leert geen kunstenaars of schrijvers kennen, maakt geen vrienden. Hij leest opzichtig dichtbundels in de metro, zodat heel bijzondere meisjes zijn heel bijzondere geest zouden kunnen herkennen. Het gebeurt nooit. Hij ontdekt Joseph Brodsky, Zbigniew Herbert, Robert Motherwell, de muziek in de films van Satyajit Ray en de roman Watt van Samuel Beckett, maar kan die ontdekkingen met niemand delen. Hij maakt zich zorgen over zijn saaiheid, voelt zich te allen tijde een provinciaal. En wanneer hij bij een workshop van de Poetry Society een gedicht voorleest dat eindigt met `de woedende golven van mijn incontinentie', wordt hij er zachtjes op gewezen dat dat niet zo'n gelukkige woordkeus is.

Coetzees portret van deze bloedserieuze, licht contactgestoorde, navelstaarderige jongeman met zijn allesverzengende schrijversambities werkt aanvankelijk vooral op de lachspieren. Johns malle denkbeelden over de vrouw als muze (een voorwaarde èn een gevaar voor het ware kunstenaarschap!), zijn eindeloze innerlijke monologen over literatuur, zijn blinde verering van Ezra Pound, en zijn gedichten over Portugese rivierkreeftvissers, bieden tal van komische momenten. Maar allengs wordt Portret van een jongeman beklemmender. Waar in andere Bildungsromans doorgaans een zekere vooruitgang te bespeuren valt, moeten we hier toezien hoe John zich langzaam maar zeker in een hoek schildert waar hij niet meer uitkomt: `Ellende is zijn element. In ellende voelt hij zich als een vis in het water. Als ellende zou worden afgeschaft, zou hij niet weten wat hij met zichzelf aan moest.'

Bovendien hangt Zuid-Afrika als een molensteen om zijn nek. John wil het land en zijn oude ik ontvluchten, Engelsman worden, net als Eliot. Maar Zuid-Afrika is `een wond in zijn binnenste' die maar niet ophoudt met bloeden. Als hij in het British Museum over een Boerenpionier leest, beseft hij opeens dat Zuid-Afrika het land van zijn hart is. Maar teruggaan wil hij niet. Het is veelzeggend dat Coetzee aan beide delen van zijn memoires de ondertitel Scenes from Provincial Life meegaf. Waar dat in Jongensjaren nog letterlijk kon worden opgevat, heeft Portret van een jongeman, hoewel het in Londen speelt, een veel claustrofobischer sfeer. Je kunt de jongeman blijkbaar wel uit de provincie halen, maar niet de provincie uit de jongeman.

Ironisch is dan ook dat het pas beter gaat met John wanneer hij voor een nieuwe programmeursbaan naar de provincie vertrekt. Daar werkt hij, tegen zijn principes in, indirect mee aan het bouwen van atoomwapens voor het ministerie van Defensie. Dat maakt hem dan niets meer uit; hij weet dat hij de `beproeving' niet heeft doorstaan. Net als David Lurie uit Disgrace leert hij om dat wat hem het meest dierbaar is, los te laten. Hij heeft twee jaar gewacht tot zijn ware lotsbestemming zich zou aandienen, maar die kwam niet. Nu herkent hij zijn mislukking als schrijver en minnaar voor wat het is: `de boudste manier is wel zeggen dat hij bang is: bang voor het schrijven, bang voor vrouwen.'

Wie Portret van een jongeman dichtslaat, is ervan overtuigd dat het nooit meer goed komt met deze jongeman. Het is onvoorstelbaar dat dit intens eenzame, monomane, moeilijke individu een van de meest succesvolle schrijvers van Zuid-Afrika is geworden, en misschien nog wel onvoorstelbaarder dat hij tien jaar na zijn vertrek weer zou terugkeren naar Zuid-Afrika, mét vrouw en twee kinderen. Zó adembenemend, ongenadig hard heeft Coetzee zichzelf hier namelijk te kijk gezet, in zijn onnavolgbaar spaarzame stijl.

Het is inmiddels echter ook duidelijk dat Coetzee er een voorkeur voor heeft zijn boeken te laten eindigen op het meest hopeloze, gedesillusioneerde punt. In de jonge John beginnen zich zo heel wat personages uit het duistere universum van Coetzees latere werk af te tekenen. Maar misschien is dat juist wel grootste misleiding van deze ongrijpbare, meesterlijke schrijver: `Wie zegt dat hij elk moment dat de pen beweegt werkelijk zichzelf is? Het ene moment is hij misschien werkelijk zichzelf, maar het volgende kan hij wel gewoon van alles verzinnen. Hoe kan hij dat zeker weten? Waarom zou hij het zelfs maar zeker wíllen weten?'

J.M. Coetzee: Portret van een jongeman. Vertaald uit het Engels door Peter Bergsma. Cossee, 208 blz. €18,90