Bouwen voor performers

Arno van der Mark initieert stedenbouwkundige projecten met hulp van onder anderen een schrijver en een cultureel antropoloog . Dit is het twaalfde deel van een reeks `Vergezichten' waarin Anna Tilroe op zoek gaat naar kunstoverschrijdende experimenten.

We ontmoeten elkaar bij toeval op een deftig, door het ministerie van VROM georganiseerd congres over creativiteit en stedenbeleid. Arno van der Mark is er, voor zover ik kan overzien, de enige kunstenaar en dan ook nog een die deze benaming van zich af heeft geschud. De kunstwereld interesseert hem niet meer, vertelt hij. Veel te besloten, en de scheiding van disciplines maakt nieuwe ontwikkelingen onmogelijk. Bovendien wordt het kunstvoorwerp er vereerd als een ding op zichzelf, terwijl het binnen het geheel van het maatschappelijke leven nauwelijks iets voorstelt. Hij wilde als kunstenaar meer verantwoordelijkheid dragen en besloot rond 1990 om breder te gaan werken. Tegenwoordig heeft hij het zo druk met Drftwd, zijn acht man tellend ontwerpbureau, dat hij een paar jaar geleden een partner heeft aangetrokken. Samen met architecten, stedebouwkundigen, een schrijver en een cultureel antropoloog, initiëert en ontwerpt hij nu architecturale en stedenbouwkundige projecten, onder andere voor de Zuidas in Amsterdam. ,,Wij zijn `cross-disciplinair''', zegt hij. ,,Dat wil zeggen dat mensen van verschillende disciplines samenwerken en onverwachte richtingen opgaan. Daar begint voor mij een nieuwe utopie.''

Utopie? Het woord verbaast me. Niet omdat het vreemd is, daarvoor hoor je het tegenwoordig te vaak, maar omdat het hier gebruikt wordt door iemand die in de jaren tachtig als postmodern kunstenaar nadrukkelijk afstand nam van de wereldvernieuwende visioenen van het modernisme. De tekst die hij uitkoos voor Groene Wouden, de sculptuurtentoonstelling die in 1983 het postmodernisme in de Nederlandse kunst introduceerde en waaraan hij deelnam met Niek Kemps en Fortuyn O'Brien, staat zelfs volledig in het teken van `Afscheid': ,,Hier wordt niet meer gezocht, hier is niets meer te vinden. Wat rest is een dromend en alert Andenken.''

Waar komt dit nieuwe elan van Arno van der Mark vandaan?

We spreken elkaar weer in zijn huis op het Borneo-eiland in Amsterdam. Van der Mark (1949) heeft het samen met MVRDV ontworpen, het architectenbureau van het wereldwijd geprezen Nederlandse paviljoen op Expo 2000. Niet zonder trots noemt hij het ,,een van Nederlands meest besproken woonhuizen van de laatste tijd.'' Het is een opvallend smal huis (tweeëneenhalve meter breed) dat ruim uitzicht zou bieden op lucht en water als de voor- en achtergevel niet uit een blinde muur hadden bestaan. Het daglicht valt nu via patio's en glazen wanden van opzij naar binnen.

Van der Mark: ,,Je krijgt zo het licht niet direct van de straat, maar je vangt het op binnen je eigen grondstuk. Dat beïnvloedt je gevoel voor het publieke en het private, iets dat me in hoge mate interesseert.''

Typisch architectentaal. Is dit weer zo'n geval van architectuur om de architectuur?

,,MVDRV en ik hebben elkaar juist gevonden omdat we architectuur om de architectuur een onvruchtbaar uitgangspunt vinden en dezelfde ambitie delen: via architectuur en stedenbouw nieuwe vormen van cultuur scheppen. Dat is wat deze tijd dringend nodig heeft.''

We beklimmen open binnentrappen van plaatstaal die leiden langs lintvormige, zich als een volle slangenbuik verdikkende woonlagen en die en passant de constructie van het huis zichtbaar maken. We zien bijvoorbeeld hoe een `vlot' van halve boomstammen de ruimte van het pand doorsnijdt, aan de ene kant als een vloer van glad geschaafd hout, aan de andere kant als een plafond van ruwe boomschors. Terug in de woonkeuken op de begane grond biedt een grote glazen schuifpui ons zijdelings zicht op een klein terras aan het water. En op de auto die hellingproef staat op de vloer van een schuin oplopende, inpandige garage.

Een huis als koek van bladerdeeg, zeg ik. Een poreuze ruimte, zegt hij. ,,Binnen en buiten, openbaar en privé lopen in elkaar over. Dat is een heel andere benadering dan in de stedenbouw en architectuur gebruikelijk is. Daar wordt alles in functies opgedeeld: dít is de weg, dát is de groenvoorziening en wonen doe je gestandaardiseerd. Het weerspiegelt een heel rigide manier van denken die de mensen in een keurslijf dwingt. Duffe rijtjeshuizen waarbij niets aan de verbeelding wordt overgelaten. Je moet er niet aan denken dat onderhand tachtig procent van de Nederlandse bevolking in zo'n geestdodende omgeving is opgegroeid. Dat moet toch invloed hebben op de cultuur? En hoe zal dat uitpakken voor de grote maatschappelijke veranderingen die komen? Daar wordt helemaal niet op geanticipeerd, laat staan dat over een richting wordt nagedacht. Stel je voor, over tien, twintig jaar zal de helft van de Nederlandse bevolking een niet-Nederlandse achtergrond hebben en zal de samenleving en onze cultuur ingrijpend veranderd zijn. Maar nog steeds wordt er gebouwd volgens de oude principes van sociale woningbouw en worden uniforme woonomgevingen uit de grond gestampt.''

Alles moet dus anders, en Van der Mark heeft daar duidelijke opvattingen over: we moeten de grenzen slechten en de dingen in hun totaliteit gaan zien. Stad en natuur, huizen en omgevingen moeten relatie met elkaar én met de gebruiker krijgen. Ze moeten, volgens zijn formulering, verhaallijnen in zich bergen die mensen actief betrokken maken.

Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Hij legt afbeeldingen op tafel van Flight Forum, een aan Schiphol gelieerd bedrijven- en kantorenterrein bij Eindhoven. MVRDV heeft er in 1999 het stedenbouwkundig concept voor gemaakt en Drftwd het plan voor het maaiveld en de verlichting. Als je nu 's avonds het geasfalteerde terrein oprijdt, rijd je een kamer binnen van stralend blauw licht.

Van der Mark: ,,Blauw licht geeft 's nachts een grotere helderheid dan natriumlicht. De staafjes van het oog werken er beter op. Technici wilden daar aanvankelijk niet aan, want die werken met tabellen en niet, zoals kunstenaars, met ervaringsfeiten. Maar nu geven ze mij gelijk.''

Er is meer dan alleen het praktische nut. Een dergelijke omgeving heeft ook een hoge belevingswaarde. Je bent je er voortdurend van bewust, voelt je er onderdeel van, ook fysiek. Een omgeving als een film. Zo ziet hij het voor zich.

Het Mahler-gebouw moet ook zo'n omgeving worden. Het is een negen verdiepingen tellend kantorencomplex dat de Japanse architect Toyo Ito heeft ontworpen voor de Zuidas. Ito heeft Van der Mark gevraagd een plan te maken voor de dertig meter lange vide die grillig door het gebouw heen zigzagt, langs restaurants, ontmoetingsplaatsen en conferentieplekken.

Ik zie plaatjes van een onregelmatig gevormde, glazen kantoortoren, waarop beelden van een berg zijn geprojecteerd.

Van der Mark: ,,Wij hebben het gebouw opgevat als een berg met inhammen waar de vide zich als een bergpad overheen en doorheen slingert. De berg is onderhevig aan regen, wind en zon en die klimatologische omstandigheden worden in het gebouw vertaald.''

Het zwaartepunt ligt, hoe kan het bij een Nederlandse berg anders, bij het regenwater. Dat wordt op het dak opgevangen in een 5.000 kubieke meter groot bassin, zakt in een tank en krijgt vervolgens op de verschillende etages op verschillende manieren vorm. Als een stoomwolk, een watergordijn, bassins met bomen of waterplanten en als getijdengebied. De wind drukt zijn stempel op de 7.000 vierkante meter glas die in de vides wordt verwerkt. Daarop zijn dots gezandstraald, grote stippen in golvende patronen die de zorgvuldig berekende golfbewegingen van de wind rondom de Mahler visueel maken. De zwierende dots dimmen tegelijk al te fel binnenvallend zonlicht.

,,Alles reflecteert'', droomt hij hardop. En plotseling hoor ik een resonantie van de jaren tachtig: Reflectie, Transparantie, Schijnen en Verdwijnen. De postmodernen hadden er hun mond van vol.

Van der Mark: ,,Ik heb in die tijd veel studies van reflectie en transparantie gemaakt. Ze stonden weliswaar op zichzelf, maar in mijn achterhoofd dacht ik altijd aan gebouwen.''

Hij toont grote koperen platen waarop grootbladige planten wegzinken in bruin en donkergoud. ,,Toen Ito ze zag was hij verrukt. Het vervloeien staat voor een wereld waarin alles alleen nog maar informatie wordt. Wij zelf ook. Het is om ons heen als een constante flow, als een grote, poreuze ruimte waarin iedereen met elkaar in verbinding staat, een ruimte die eigenlijk alleen uit sferen bestaat.''

Je beschrijft een gedematerialiseerde wereld waarin het er niet meer toe doet of iets echt is of niet. Het contact met het gewone, het aardse wordt vermeden, want dat ontnuchtert. Alles is even belangrijk of onbelangrijk. Everything flows.

,,De wereld vóór de informatiewereld was gebaseerd op afspraken: religie, ideologie. Dat was het midden van waaruit alles gebeurde. Dat is weg. En daarmee zijn er geen grenzen meer. Er zal wel weer een moment komen waarop het een en ander bij elkaar komt, maar hoe dat nieuwe universum eruit zal zien is niet te voorspellen. Ik neem aan dat het ontdaan zal zijn van symboliek en historische connotatie.''

Blijft de vraag: wat dóe je met al die informatie? Nu al worden we overstelpt met informatie om de informatie. Engagement met wat dan ook wordt zo heel moeilijk.

,,We hebben in ieder geval toegang tot veel. Dat is het begin.''

Van wat?

,,Van de nieuwe moderniteit.''

Hij vertelt over zijn reis naar Japan. Eén grote droom. Steden die je alleen maar kunt uitleggen in termen van intensiteit: met duizenden mensen tegelijk een zebra overlopen. Immense gebouwen die openbaar zijn. Grote videoschermen als onderdeel van het straatbeeld. En een paar honderd meter verderop zit je weer in het oude Japan. Alles staat naast elkaar en komt ook tot uitwisseling met elkaar. Hij ervoer het als een groot aquarium, een vloeibare massa die geen weerstand bood, maar hem als vanzelfsprekend in zich opnam.

Hij streeft met Drftwd hetzelfde na. Samen met het team richt zich op het visualiseren van sferen en gevoelens. Omgevingen en gebouwen moeten belevingen worden.

Dat sluit aan bij de belevingseconomie, bij een architect als Jon Jerde die winkelcentra maakt als belevingen.

,,We beginnen te beseffen dat omgevingen waarin mensen tot pure toeschouwer worden gereduceerd, zoals bijvoorbeeld het museum, hen klein en onmondig maakt. Mensen moeten deelnemer worden, op meer niveaus tegelijk aangesproken raken en informatie uitwisselen met de omgeving en met elkaar. Dat scherpt het bewustzijn.''

Dat is maar de vraag. De beleveniseconomie maakt grondige psychologische studies van ons gedrag om ons al `belevend' te laten doen wat we geacht worden te doen: consumeren. In de winkelcentra van Jerde wisselen mensen niets anders met elkaar uit dan geld.

,,Je spreekt over de formele economie. Die gaat over geld-geld, zoals je in de kunstwereld kunst-kunst hebt. Maar dat is een besloten systeem. Wij moeten naar een informele economie toe, een economie die niet wordt opgelegd, maar die van onderop komt, vanuit de mensen zelf. Daar horen plaatsen bij die mensen samenbrengen en waar van alles samenkomt: hotelwoningen waar je kunt gaan eten en drinken, openbare gebouwen waarin je kunt sporten, kunst kijken en je paspoort laten vernieuwen, omgevingen waarin woningen en ecologische zones naast elkaar bestaan. Eén grote meervoudigheid waarin het culturele kan floreren en die mensen brengt tot nieuwe gevoelens en nieuwe uitvindingen. Dat vraagt om een ruimtelijke ordening die niet, zoals nu bij ons, grotendeels door de markt wordt gedicteerd, maar die er zorgvuldig en doelbewust naar streeft zoiets mogelijk te maken. Dat is de geweldige opgave waar stedenbouwkundigen, architecten, planologen en ontwerpers nu voor staan.'

Toch weer een maakbare samenleving?

,,We moeten in ieder geval proberen die omstandigheden te scheppen die daadwerkelijk het functioneren van mensen beïnvloeden, zodat nieuwe gemeenschappen, een nieuwe mentaliteit en nieuwe economische patronen kunnen ontstaan.''

De brug die Drftwd recentelijk ontworpen heeft voor de stad Alkmaar, komt uit dat ideaal voort. Het is een 25 meter lange fiets- en loopbrug die de historische stad zal verbinden met een schiereiland. Op het eiland staan kantoren, winkels, het stadskantoor en een politiebureau. De brug vormt geen rechte lijn, maar vertakt zich deltavormig boven het water, als een soort stratenstelsel. Mensen krijgen zo op het water nog de mogelijkheid om te kiezen welke kant ze op willen. De `straten' laten de flows van de dag zien, spitsuur, winkeltijd, etenstijd, waarbij sommige straten heel veel en andere weinig drukte zullen kennen. In de stad valt zoiets niet op, maar op het water zullen die bewegingen en patronen zich strak aftekenen in de ruimte.

Van der Mark: ,,Je kunt de brug zien als een toneel, met het publiek als de spelers. Zij lopen niet in een rechte lijn van a naar b, maar zijn in interactie met de brug en worden er zo onderdeel van. Dat is de beleving.''

Josef Beuys zei: `Ieder mens is een kunstenaar.' Jij zegt: `Ieder mens is een performer.' Dat past beter bij onze narcistische cultuur.

,,Ik sta niet negatief tegenover de wereld waarin wij nu leven, maar ik probeer hem juist te vergroten zodat hij zichtbaar wordt in zijn consequenties. Dat houdt in dat het ontwerp veel meer moet zijn dan louter vormgeving. Het moet een vorm van kennis zijn, een bron die informatie bevat, genereert en richting geeft. Het zendt gedachtes, formuleringen, verhalen uit die door het individu naar eigen inzicht kunnen worden vertaald. Zo maak je nieuwe verbindingen, schep je mogelijkheden om anders naar dingen te kijken, ontgrendel je gebieden. Het is een andere vorm van kritisch en inventief zijn, van je ergens invechten. Misschien kan op die manier een nieuwe vorm van vrijheid ontwikkeld worden. Want dat is de taak, niet meer en niet minder.''

www.drftwd.nl