Alle eer gaat naar de admiraal

In 1792 publiceerde de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een volksboek ter verheffing van de `geringeren medeburger'. Hendrik en Anna heette het, en een van de pogingen tot volksopvoeding was een pleidooi om naast bijbelvoorstellingen, pastorale scènes en schepen ook taferelen uit de vaderlandse historie op tegels af te beelden. Zo zouden kinderen bij de eigen haardstee kennis kunnen nemen van ons glorieuze verleden, en daaruit lering trekken.

Dit idee is nooit uitgevoerd. Schoolkinderen van nu zouden de voorstellingen ook niet meer herkennen. De Vrede van Nijmegen, de heldendood van Van Speyk, en zelfs de zeilwagen van Stevin zijn uit ons collectieve geheugen verdreven. Zijn er nog schoolmeesters die met verve in de klas verslag doen van de Engelse Zeeoorlogen?

In ieder geval één, zij het niet meer in het klaslokaal. H.H. ter Balkt, ooit meester in het oosten des lands, legt in zijn nieuwe dichtbundel het verhaal van de Engelse Zeeoorlogen in de mond van een kat. Het is de kat uit een schilderij van Cornelis Saftleven (1607-1681), Kat in raam. Het dier vertelt geen objectief verhaal, maar maakt zichzelf tot middelpunt van het heldenwerk van Michiel Adriaensz. de Ruyter:

Al die zeeslagen, al die zeisslagen!

Ik ben de kat die er altijd was, die

alles ziet, zoals hier in dit raam:

zeg nou zelf, het kon eerder een luik zijn.

Arme Michiel. Zwepen afgekeken

van mijn staart, de zeis van mijn onderkaak.

't Grommen van de kanonnen van mijn

familie en mij en van de wolven.

Ik zit hier in de zon. Matrozen zijn

muizen, maar ik heb gehoord dat hun voer

slechts is, hun water kila. En alle

eer gaat naar de admiraal. Blauw draaide

die aan 't wiel, aan de zeearm. Dat zeggen

ze. Maar wat is waar onder zon en kaak.

Het woord `kila' is in Van Dale en het WNT niet terug te vinden, maar lijkt alleszins adequaat voor een kattentong. Zo'n eigenzinnig idioom past ook wel bij de volstrekt subjectieve invalshoek van waaruit Ter Balkt de geschiedenis te lijf gaat of, preciezer uitgedrukt, in zijn verzen inlijft. Zijn Laaglandse hymnen doen immers bovenal verslag van het zintuiglijke. Zien en horen is lust bij Ter Balkt. En dat kan tot verwarrend tedere slotregels leiden, zoals in `Portret van Rembrandt': `Hier kwinkeleren puistjes boven satijn.'

In 1991 al verschenen de eerste Laaglandse hymnen in de Middelburgse Slibreeks. Met negenenveertig nieuwe hymnen werden die twee jaar later opnieuw gepubliceerd. Ter Balkt bezong hierin de vaderlandse geschiedenis van de Steentijd tot en met de Overwintering op Nova Zembla in 1596. In Laaglandse hymnen II overbrugt hij de grens naar de zeventiende eeuw, passeert menig moment, vaak via schilders of schrijvers, en eindigt vijftig verzen later in 1899.

Zijn lofzang op onze kunst- en oorlogshelden zou de Maatschappij tot Nut tevreden hebben gestemd. Wat de schrijver van Hendrik en Anna op het tegelgoed wilde staat hier in sonnetten gegrift. Geen rijmende sonnetten, want een literair korset staat haaks op het natuurgeweld van Ter Balkts blikveld. Zijn oog kiest wisselend voor rauwheid en tederheid, en dat klinkt door in zijn stem. In het eerder genoemde `Portret van Rembrandt' typeert Ter Balkt opnieuw het troebele palet van Rembrandt. `Luchtvervuilingsbruin' heet het dan, `Rembrandtesk als Shell-wolken.' Zo terloops anachronistisch treft geen andere dichter het doel. En al even terloops kiest Ter Balkt een quasi-zeventiende-eeuwse uitdrukking als `vinkentrekken later' in het gedicht `Jan Swammerdam'.

Dat zijn wieg op het boerenerf stond heeft Ter Balkt in geen van zijn dichtbundels verheeld. Ook in dit tweede deel van Laaglandse hymnen is menig beeld trefzeker aan het plattelandsleven ontleend. Soms veertien regels lang, zoals in de beschrijving van `Dat kotte Balcket', een boerderijtje in de buurschap Woolde, in het gedicht `1602'. Soms als beeldend detail, zoals in de slotregels van het tweede sonnet van `De Vrede van Nijmegen (1678)': `De huizen, met de kleur van rood wingerdblad, hokken / als zakken gedorst graan onder hun daken bijeen.'

Maar Ter Balkts horizon reikt voorbij het boerenerf en dat maakt zijn poëzie zo rijk als ze is. In zijn hymnen reiken oog en oor veel verder dan de zintuigen van een kunsthistoricus of muziekwetenschapper. Neem het gedicht over `Robert Schumann, Celloconcert in a-moll, opus 129'. Zien en horen vallen samen in de inzet van dit sonnet:

Zien en Horen hoe een bleke bries 't dennenbos

omarmt en wurgt, hoe uit stemmen, rust en vrede,

demonen opstaan en vreemde heerszucht in hersens,

wateren, velden, valluik, cycloon wil zijn, dat

niets anders, sleepte jou naar Bonn.

Dat is verwoord en verklankt tegelijk.

H.H. ter Balkt: Laaglandse hymnen II. De Bezige Bij, 64 blz. €16,50