Leidertje

Zes jongetjes zaten in een kring op een schoolplein in Amersfoort. De brutaalste, een jongen met een hoge kwetterstem, domineerde het gesprek. De anderen keken naar elkaar en waren blij als het leidertje niet hen, maar een ander aansprak.

Het waaide hard. Om hen heen kraakten de huizen in hun voegen, de dakpannen vlogen in het rond. Het had zelden zó hard in Amersfoort gewaaid. Ook elders in Nederland scheen een hevige storm te woeden.

,,En Aadje'', kraaide het leidertje, ,,ik hoop wel dat je een beetje vrolijker gaat kijken! Zit er niet zo bevroren bij, man, ontdooi een beetje! Straks moet je gewoon even naar die Marokkaanse jongetjes om ze op hun flikker te geven, en als je dat niet lukt, heb je een probleem. Met mij!''

Hij keek er jolig bij, het leidertje, sarren vond hij leuk. Je koos het slimste, maar stijfste jongetje uit de groep als tegenstander, en je kostje was gekocht. Altijd prijs. Zo'n jongetje wist niet hoe hij zich verweren moest, hij was te veilig opgegroeid in de kapsalon van zijn vader. Hij was bovendien altijd te veel met zichzelf bezig geweest. Hoe hij zoveel mogelijk kon bereiken zonder zichzelf al te veel bloot te geven.

De andere jongetjes keken vanuit hun ooghoeken angstig naar het leidertje. De langste jongen, die met het vermoeide, oude gezicht, deed alsof hij reuze goedgehumeurd was. God, wat leek hij het toch een gezellige bijeenkomst te vinden, eindelijk waren de jongens weer eens onder elkaar. Voor de rest hield hij zoveel mogelijk zijn mond, en lachte hij af en toe als een politicus met erg veel kiespijn.

Het christelijke jongetje, dat met het waanwijze brilletje, deed de meeste moeite om bij het leidertje in het gevlij te komen. Sloot hij vriendschap met het leidertje uit? Nee, zei hij haastig, hij sloot niets uit, stel je voor, en zeker niet de vriendschap met zo'n leuk leidertje.

Af en toe mengden zich ook twee andere jongetjes in het gesprek, één met een krullenbol en één met donker haar, maar naar hen werd nauwelijks geluisterd. Hun aanwezigheid deed er niet erg toe, scheen het. Zij waren erbij omdat het zo hoorde, omdat het anders zo'n kaal gezicht zou zijn: dat leidertje met die drie sukkelachtige jongens.

De zoemer ging. Ze moesten weer naar binnen. De meester wenkte hen, kom nou jongens, er moet ook nog écht gewerkt worden.

Maar Aadje bleef roerloos zitten. De langste jongen sloeg hem troostend op de schouder. ,,Doe niet zo flauw'', zeiden de anderen tegen Aadje, ,,wat kun jij toch slecht tegen je verlies.''

En het leidertje riep smalend naar hem: ,,Dat belooft wat met jou! Ik wil dat je naar die rotmarokkaantjes gaat. Nu! En als je dat niet durft, zal ik het op de hele school rondvertellen. Ik zal je geen seconde met rust laten. Vroeger, toen ik kleiner was, hebben jij en je vriendjes mij altijd gepest, maar nu zijn de rollen omgedraaid. Klootzak, ik zal je krijgen!''

Aadje keek naar de grond, hij luisterde niet meer. Alles leek verloren, alles wat hij ooit gehoopt had te bereiken. Niemand hield meer van hem. Hij werd bespot, in zijn gezicht en achter zijn rug. Hoe lang duurde het nog voor het schoolvakantie was? Twee maanden? Jezus.