Kost en Inwoning

Raf Verhulst staat in mijn editie van de Winkler Prins met 34 regels, ongeveer net zoveel als Gerrit Achterberg. Toch wordt in de bijgevoegde bibliografie maar één dichtbundel genoemd, terwijl ze van Gerrit Achterberg zeker dertig bundels opsommen. Wat heeft Raf Verhulst voor groots verricht om zoveel ruimte te verdienen?

De presentatie in de Winkler Prins klinkt niet overtuigend.

`Hij gaf de tijdschriften De Noorderklok (1926-1932) en Het Vlaamsche Volk (1933; sinds 1935 onder de titel Het Vlaamsche Land, tot in 1939) uit.'

De Noorderklok valt, we weten het allemaal, niet weg te denken uit onze cultuurgeschiedenis. Om te zwijgen van het subtiel omgedoopte Het Vlaamsche Volk.

De Winkler Prins heeft meer in petto.

`Behalve pittige journalistiek schreef hij literair toneel, o.a. de verfijnde Oudgriekse evocatie Telamon en Myrtalee (1909), het Antwerpse historische drama Semini's kinderen (1911) en vnl. zijn met de Staatsprijs onderscheiden meesterwerk Jezus de Nazarener (1904), het drama van het rationalisme, waarin Judas als twijfelaar een opmerkelijke rol toebedeeld krijgt.'

Pittig, verfijnd, meesterwerk. Het is niet mis.

De tussenwerpsels o.a. en vnl. openen wonderlijke verschieten.

Raf Verhulst blijkt dan ook muziekleraar te zijn geweest, literatuurdocent, politiek activist en de grondlegger van het Belgische detectiveverhaal.

`In 1920 werd hij door het Belgische gerecht bij verstek ter dood veroordeeld.'

Dat klinkt het interessantst. Daar verdient elke dichter dertig-en-zoveel regels mee, ook al heeft-ie maar één bundeltje geschreven.

Maar voor de rest?

De schrijver van het lemma in de Winkler Prins kan toch niet in gemoede menen dat een verfijnde Oudgriekse evocatie en een drama over een twijfelende Judas recht geven op de onsterfelijkheid? Ik weet zeker dat de titels die hij noemt al in de jaren zeventig door de achterlijkste dorpsbibliotheek van Vlaanderen werden afgevoerd.

`Als Jan Terzake riep hij het blad De Klare Daad in het leven (1924).'

Deze zin staat alleen in de Winkler Prins van de Nederlandse letterkunde en niet in de Grote Winkler Prins. Toch is het een zin om van te smullen.

Lees hem vier, vijf keer hardop.

Jan Terzake. De Klare Daad.

Een pseudoniem en een titel uit voorgoed ten grave gedragen dagen.

Er schuilen wat avonturiertrekjes in die Raf Verhulst die je op het eerste gezicht wel bevallen. Iets van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Aan de andere kant ruik je dat hier iets niet klopt. Een te grote hang naar autoriteit en naar volksmassage. De Noorderklok, Judas, de Klare Daad, drie obsessies van een fascist.

Er loopt, zo leer je uit andere bronnen, een rechte lijn van zijn terdoodveroordeling in 1920 tot de hem in 1940, het jaar voor zijn feitelijke dood, toegekende Rembrandt-Preis van de Hansische Universität in Hamburg. Vanwege verdiensten voor het niederländisch-niederdeutsche Volkstum. Een prijs die ook zijn landgenoten René de Clercq, Stijn Streuvels en Cyriel Verschaeve al in ontvangst hadden mogen nemen. Voor Nederland werd Willem Mengelberg volkstümlich onderscheiden. In 1941 zou de componist Henk Badings de prijs ten deel vallen. Lekker gezelschap.

De Duitse pers noemde Raf Verhulst `de trouwe wapenbroeder van August Borms'.

De schrijver van het lemma in de Winkler Prins vindt dit alles niet het vermelden waard. Was hij misschien bevreesd voor een dalende verkoop van de verfijnde evocaties en meesterwerken van zijn pittige journalist?

Het zal niet die ene dichtbundel zijn geweest waarvoor Raf Verhulst de Rembrandt-Preis ontving. Die bundel, Langs groene hagen geheten en gepubliceerd onder de naam Rafaël Verhulst, was al in 1940 antiek. Ik heb hier een editie uit 1915 voor me, maar volgens de bibliografie in de Winkler Prins dateert de eerste druk van 1899.

Het was een blind vergrijp... het is een goed gedicht. Een gedicht in een gedateerd idioom, een gedicht uit een vervlogen poëzietijdperk, maar binnen dat idioom en binnen dat tijdperk een gaaf gedicht. Er zit muziek in, er zit spanning in, van

Ik was een wildzang, 'k was onzinnig;

't Was of een wind van waanzin woei

tot

Wij spraken niet dezelfde taal

– er zit ook een charmante omkering in, omdat het sjabloon wil dat de man uit is op mingestoei en de vrouw op een vaste band. Als Raf Verhulst zich niet zelf om zeep had geholpen had dit een klassiek liefdesgedicht kunnen zijn.

Biografische kennis kan het kunstgenot verpesten, dat merkt men in dit geval. Ik voel de verfoeilijke, maar onweerstaanbare aandrang om `een blind vergrijp' en `een band gesmeed uit staal' met fascistenblik te lezen. Hier is een soldaat aan het woord die een vrouw haar vlinderachtigheid verwijt en van haar volledige opoffering eist. Een oogvuiltje maakt dat ik dit gedicht interpreteer als een solidariteitsoproep voor de heilige zaak van Führer en vaderland. Een negentiende-eeuws gedicht! Soms is poëzie niet gebaat bij nadere kennismaking met de dichter.