Gandhi's onmogelijke droom

Mahatma Gandhi's woorden over de moed om niet te moorden, zijn in India de afgelopen dagen ver verwijderd van de werkelijkheid.

In het hart van Ahmedabad bevindt zich de ashram van Mahatma Gandhi, de Indiase `vader des vaderlands'. Een ashram was voor Gandhi geen klooster of gebedsoord, maar een vreedzaam dorp met een zekere mate van zelfvoorziening, scholen en medezeggenschap voor vrouwen. Gandhi droomde dat overal in India zulke ashrams zouden worden opgericht.

Nu ligt een van de oudste ashrams, gesticht in 1914, in het centrum van een al maar groeiende stad. Het is een oase van rust, stilte en netheid. Een ommuurd park met schaduwrijke bomen en kleine stenen gebouwen die doen denken aan hutten. In de binnenplaats ligt een vijver met vissen, er zijn banken waarop men kan rusten en mediteren, en er is een verlaten speeltuin. De ashram is een museum geworden. En bij de ingang staat op een groot bord een gedachte van Gandhi:

`Als er bloed moet vloeien,

laat het 't onze zijn.

Laten wij de kalme moed ontwikkelen,

om te sterven zonder te moorden.'

Gandhi was een dromer. Want nog geen tien meter buiten de ashram staat een gebouw van zes verdiepingen, afgelopen week volledig uitgebrand bij rellen tussen hindoes en moslims. Volgens de politieman die bij de poort van de ashram de wacht houdt, is er tot bij de poort gevochten.

Als Gandhi begraven was in plaats van gecremeerd, zou hij zich vele malen in zijn graf hebben omgekeerd. Want Gandhi's woorden over de moed om niet te moorden, hadden niet alleen betrekking op de strijd tegen de Britse overheersers, maar ook op de spanning tussen hindoes en moslims. Hij was fel gekant tegen de scheiding van India en Pakistan en had de hindoes daarom opgedragen de minderheid van moslims met het grootste respect te behandelen.

Dat respect werd na de onafhankelijkheid in 1947 vertaald in een eigen rechtspraak voor moslims, gereserveerde plaatsen op scholen en in de ambtenarij en andere voorrechten. En al gauw vonden hindoes dat er sprake was van bevoorrechting van moslims.

De haat tegen moslims is diep geworteld in India. Voordat de Britten kwamen, was India gekoloniseerd door moslim-moghuls. Zij bouwden moskeeën, soms op plaatsen waar tempels hadden gestaan, bekeerden hindoes, bouwden paleizen en inden belastingen.

De Britten namen hun plaats in en gedurende 300 jaar hadden moslims en hindoes een gemeenschappelijke vijand. Deze broederschap bleek uiterst dun: direct na het vertrek van de Britten laaide de strijd tussen hindoes en moslims weer op. Tijdens de deling van India, waarbij Pakistan ontstond, vielen in totaal een miljoen doden.

De nazaten van Gandhi en zijn medestander Nehru, die het land bijna vijftig jaar regeerden, deden er veel aan om de spanning te verminderen. En `veel' werd al gauw ervaren als `te veel'. Weer werden moslims bevoordeeld, zo vonden hindoes, terwijl ze een eigen land hadden – Pakistan. Het recht van moslims op India werd door sommige hindoeleiders openlijk bekritiseerd, en deze leiders kregen steeds meer aanhang. De hindoebeweging werd langzamerhand een politieke beweging.

Die manifesteerde zich in 1992 met een lange mars van hindoes uit uiteenlopende stromingen naar de stad Ayodhya, waar een moskee stond, precies op de plek waar God Rama geboren zou zijn. De mannelijke en heldhaftige Rama werd de verpersoonlijking van eenheid onder de hindoes. De hindoes verwoestten de moskee, waarop een bloedbad volgde. Drieduizend mensen, waaronder veel moslims, werden gedood.

De verklaring was volgens sommigen dat India moderniseerde. Het land was tot midden jaren `80 een aaneenschakeling van dorpen, zoals Gandhi had nagestreefd. Maar met de economische liberalisering ontstond een stedelijke middenklasse, die Gandhi's verdraagzame `ashram-mentaliteit' ver achter zich had gelaten. Het opkomende zelfbewustzijn onder de hindoes veranderde in trots en hooghartigheid, en toen in 1996 een hindoepartij aan de macht kwam in India, was het definitief gedaan met Gandhi's gedachten.

In de afgelopen dagen is er rond zijn ashram in Ahmedabad volop de moed opgebracht om te moorden. In het totaal vielen 665 doden. De hindoeleiders die nu aan de macht zijn, hebben het misschien niet zover willen laten komen, maar een terugkeer naar Gandhi's droom lijkt onmogelijk.