Upstairs, Downstairs volgens Altman

Iemand die het leven begrijpt, het in ogenschouw neemt, zich ermee amuseert, zo iemand is Robert Altman, een regisseur die graag boven zijn personages staat maar zich er niet te goed voor voelt. In zijn nieuwe, Engelse film Gosford Park zijn die personages de bewoners, de gasten en het personeel in een Engels landhuis in de herfst van 1932. Als een god die alles heeft gezien schenkt hij ze aan de kijker: het stuurse hoofd van de huishouding, de verveelde vrouw des huizes, de snobistische oude tante, de aan lager wal geraakte zwager, de dikke keukenmeid die in de provisiekamer voor een jonge graaf haar rokken opschort.

Regisseurs en andere kunstenaars worden wel vaker met goden vergeleken. In het geval van Altman is die vergelijking iets meer op zijn plaats wegens de structuur die hij aan zijn films geeft en die naar een van die films vernoemd is, al heeft hij die structuur niet uitgevonden. Gosford Park is weer een film á la Short Cuts, zoals dat in de volksmond van filmliefhebers heet, een film waarvan niemand de hoofdpersoon is en het grote aantal verschillende personages bij elkaar wordt gehouden door bijvoorbeeld een locatie of een beroep. Altman is niet onfeilbaar; hij heeft á la Short Cuts goede en slechte films gemaakt. Gosford Park is een goede, een heel goede zelfs, ook al doet de gekozen locatie en wat daar gebeurt wel wat af aan het bijzondere van de methode. De film speelt zich namelijk niet alleen af in een Engels landhuis, er vindt daar ook nog eens een moord plaats die bijna iedereen had kunnen plegen. Altman is niet opeens Agatha Christie geworden, maar wel een iets mindere god. Het is alsof hij opeens iets gewoons doet, alsof de kunstschaatsrijder uit de bekende reclame weer terugkeert naar Holiday on Ice. Het genot is er niet minder om. Dat Gosford Park, die zeven Oscarnominaties kreeg, een heel goede film is, ligt aan de geweldige Engelse acteurs die de personages geen karikaturen laten worden als dat niet nodig is, aan de onberispelijke kostuums en art direction, en vooral aan de details die de Engelse scenarioschrijver Julian Fellowes, zelf afkomstig uit de upper class, Altman influisterde. De bediendes van de gasten op het landhuis, ook die van een Amerikaanse filmproducent, worden bijvoorbeeld door het personeel onderling met de naam van hun bazen aangesproken en de rang van hun broodheer bepaalt ook hun plaats aan tafel. Zulke details zijn bij Altman belangrijker dan de een beetje giechelig in beeld gebrachte plot. De enige acteur die tegenvalt is Stephen Fry als de inspecteur die de moord moet oplossen.

Gosford Park is een verrukkelijke veroordeling van het Engelse klassensysteem. Al ligt de meeste sympathie bij het personeel, Altman slaagt erin de film werkelijk een veroordeling van het systeem te laten zijn, en niet van de mensen die er, beneden en boven, in gevangen zaten. Verrukkelijk is Gosford Park omdat Altman toch laat genieten van de pracht die dit systeem opleverde, van gepoetst zilver en gepoetste schoenen, van grote gazons en elegante theekoepeltjes. Dat hij ook laat zien hoeveel moeite het kostte om die dingen voor elkaar te krijgen, doet aan de schoonheid ervan iets af. Gosford Park is zo rijk dat hij, net als Altmans eerste grote succes, tot een televisieserie aanleiding zou kunnen geven, als die al niet gemaakt was. Gosford Park verhoudt zich tot Upstairs, Downstairs als Mash de film tot Mash de serie.

Gosford Park. Regie: Robert Altman. Met: Helen Mirren, Maggie Smith, Emily Watson, Michael Gambon, Kirstin Scott Thomas. In 12 bioscopen.