Kies mij niet

,,Zo gauw een vrouw een totale keuze voor mij maakt, hoor ik de doodsklokken al luiden'', zegt Tim Krabbé in een interview over de liefde (Rails, maart 2002). Hij haalt de anekdote aan van de komiek Groucho Marx die, na te zijn geaccepteerd als lid van een deftige club, het bestuur een bedankbriefje schreef. Hij wilde geen lid zijn van een club die hem als lid toeliet.

Het is waar: de instinctieve reactie als ik dit kan krijgen, moet er iets mis mee zijn is niet ongewoon. Maar in de liefde heb ik altijd gedacht dat vooral vrouwen er last van hebben. Vrouwen, die zonder goede reden een man afwijzen die ze op handen draagt, en daarbij een goed inkomen en levenslange trouw belooft. Die koppig kiezen voor een onverlaat van wie zij nooit zeker zullen zijn. Kennelijk hebben mannen het ook. ,,Een keer heb ik een liefde gehad van zeven jaar – mijn record'', aldus Krabbé. ,,Maar toen moest ik voortdurend vechten om haar te mogen hebben.''

Een specialiste op dit terrein was de schrijfster Nancy Mitford (1904-1973). Zij was de oudste van de zes adellijke, fameus eigenzinnige meisjes Mitford, vaste gasten in de Britse societykolommen. Zij was geestig, aantrekkelijk, begaafd en een flirt, en had geen enkele belangstelling voor normale, aardige huwelijkskandidaten. Rond 1930 verloofde zij zich met een bekende homoseksueel, een kleurrijke nietsnut met wie zij verschrikkelijk kon lachen. Gillen van het lachen, dat was heel belangrijk in het wereldje waar zij verkeerde, vooral als de dingen mis gingen. Nancy Mitford is haar leven lang stug vrolijk blijven doen bij verdriet en tegenslag.

Vrijwel meteen toen het uitraakte, zei zij `ja' tegen Peter Rodd, een charmante jongen die als hij dronken werd op feestjes, altijd mooie meisjes ten huwelijk vroeg. Zij trouwden, maar het ging al gauw mis. Rodd deugde niet, en zijn gewichtigheid, waarvan Nancy aanvankelijk nogal onder de

indruk was, werd met de jaren verpletterend.

In haar onvergetelijke roman The Pursuit of Love schetst zij het portret van haar grootste liefde. Dat was Gaston Palewski, een Fransman van Poolse komaf met een pokdalig gezicht, adjudant van generaal De Gaulle. Nancy Mitford zag in hem de ideale, gepolijste man-van-de-wereld. Zoals de Engelsen zo mooi zeggen: zij aanbad de grond onder zijn voeten. Dus verhuisde zij na de oorlog naar Parijs. Daar was zij, de steeds succesvollere, gevierde schrijfster, op afroep beschikbaar als haar `colonel' een uurtje over had. Racontez, racontez, zei hij, want hij vond haar vooral onderhoudend. En zij deed haar best om zo amusant mogelijk te zijn, nooit vervelende scènes te maken en zijn ongelofelijke rokkenjagerij door de vingers te zien.

Bijna dertig jaar stond haar leven in het teken van de `colonel', en nooit heeft zij meer dan een pink van hem gekregen. Al haar boeken gaan over hem, ook die over Voltaire en over de Zonnekoning; alleen bij Frederik de Grote lukte het niet om Palewski er in te persen. Op een dag in 1969 las zij in de krant dat hij getrouwd was. Drie jaar later stierf zij. De ziekte van Hodgkin had haar altijd zo rechte ruggengraat verwoest. Het schijnt een van de pijnlijkste aandoeningen te zijn die er bestaan.

Schutspatrones van de dappere, opgewekte, hopeloos verliefden, die titel verdient Nancy Mitford wel. Hoorde Palewski de doodsklokken luiden bij haar toewijding? Was het feit dat hij nooit verliefd op haar is geweest, voor haar zijn grote aantrekkingskracht? De liefde gaat alle verstand te boven, dat wisten wij al. Maar soms zouden we willen dat zij iets minder wreed was.