Impressies bij de stembus

Er moest iemand uit het buitenland komen om het verschijnsel een mooie naam te geven. De Emile Ratelband van de politiek. Eurocommissaris mr. Frits Bolkestein had er nog meer: Sjors van de Rebellenclub, een politieke belletjetrekker. Die vind ik minder. Sjors is een ondeugende jongen van voor de oorlog, hoort tot de generatie van Pietje Bell en Bulletje en Boonestaak, jongens met au fond een hart van goud, in wier hoofd het niet zou zijn opgekomen, mensen wijs te maken dat ze door een greppel met gloeiende kolen kunnen lopen. Maar Ratelband is een voltreffer. Iedereen weet wie hij is, en alleen mensen die even in de war zijn, of sowieso in een bepaald soort wonderen geloven, zullen hem als redder en profeet beschouwen. De anderen zien wel dat ze met een variant van het type mediakwibus te maken hebben; de leverancier van content in de entertainmentpolitiek. Waar is Emile trouwens gebleven, en waarom heeft hij geen partij gesticht?

Bolkesteins verklaring voor de opkomst van het verschijnsel lijkt me minder houdbaar. Wim Kok krijgt de schuld. Als er nu geen haast wordt gemaakt met een strenger vreemdelingenbeleid zal binnen vijftien of twintig jaar de absolute meerderheid in de vier grote steden van buitenlandse herkomst zijn, ,,met alle problemen van dien''. In aanmerkelijk grotere steden dan onze vier is het al een poos zo ver, zonder dat het tot de vreselijke toestanden is gekomen die door Bolkestein met een `van dien' worden samengevat. Voor het gemak nemen we New York. Het is waar dat de burgerij niet altijd even vredelievend met elkaar omgaat. Maar het werkt, en gegeven de verscheidenheid op het ogenblik bewonderenswaardig. Dat komt dan weer voor een groot deel door het bewind van de vorige burgemeester Rudy Giuliani, van wie veel mensen hier, zich sterk vergissend, denken dat hij een soort kazernecommandant is geweest. Integendeel. Hij is wel het tegendeel van een mediakwibus.

De vertrekkende minister-president wordt onrechtvaardig behandeld. In deze krant van gisteren is dat door J.M. Bik duidelijk uiteengezet. Hij is de kampioen van de moderne consensus, medestichter en behoeder van het `poldermodel' waar de grote meerderheid (onder wie niet schrijver dezes) zeer tevreden mee was. Twee jaar geleden nog onze internationale trots. Onder de Nederlandse verhoudingen klein land met veel belangengroepen die tegengestelde wensen koesteren – is er in vredestijd maar één model dat op de lange duur goed werkt, en dat is dit.

Morgen verschijnt de nieuwe editie van de Nieuwe Kaart van Nederland, waarop vijfduizend voorgenomen projecten zijn aangegeven. Dat is de stafkaart van onze altijd smeulende planologische burgeroorlog, veroorzaakt door de vrije ondernemingslust van iedereen. Daar hoort een arbitragegezag te zijn, met één overheersende boodschap: dat niet iedereen overal, altijd zijn zin kan krijgen.

Het probleem van het `poldermodel' is, dat de Nederlanders, zoals dat vaker gebeurt, zich door hun overmatige tevredenheid met zichzelf hebben laten meeslepen. Consensus werd, bij gebrek aan de finale, de knoopdoorhakkende instantie, tot de informele vergunning voor ieder belang om zover mogelijk de eigen zin door te zetten. We zouden wel zien `waar het schip strandt', of `waar de wal het schip keert'. Was dat eenmaal gebeurd, dan droeg niemand de verantwoordelijkheid. Dan kwam er een commissie die de onderste steen boven bracht en dat in een rapport vastlegde.

Nederland heeft evenmin als andere westerse democratieën nog een ideologisch gerichte politiek, en zelfs geen strikt politieke politiek. De klacht van `de' kiezer is dat de programma's van de grote partijen `zoveel op elkaar lijken'. Het is de vraag of `de' kiezer wel een grotere verscheidenheid wil. Misschien denkt hij minder als politiek bewust burger in perspectieven, dan als consument in het hier en nu. In een niet meer door ideologieën gemotiveerd kiezerskorps, in een land waar relatief veel mensen in economische veiligheid tot welstand leven, wordt de politieke democratie dan vanzelf tot een consumentendemocratie. De staat wordt leverancier van diensten. De staat wordt een buitengewoon grote supermarkt met waarschijnlijk te veel personeel maar dat valt nooit te bewijzen. De klant is tegelijkertijd klant en aandeelhouder en in die hoedanigheid eens in de vier jaar kiezer. (Het idee om het op deze manier te bekijken is van James K.Galbraith. Zie mijn column van 24.1.2000).

Nu blijkt dat in sommige afdelingen knollen voor citroenen over de toonbank gaan, men blij wordt gemaakt met dode mussen, tegen grove betaling een oor krijgt aangenaaid, terwijl de bewaking niet kan verhinderen dat de klanten elkaar bestelen of/en zonder betalen de deur uitgaan. Dit terwijl de directeuren zichzelf feliciteren met hun uitstekend beleid. Bestolen of mishandelde klanten die zich beklagen, krijgen in een onbegrijpelijke taal antwoord. Of het wordt hun te verstaan gegeven dat ze niet zo moeten zeuren of mopperen of moeilijk doen, omdat het allemaal te maken heeft met het zegenrijke gedogen. Als ze boos op hun fiets willen stappen, is die weg.

Iedereen kan begrijpen dat dit een keer misloopt. Dat ervaren de kiezers niet nu plotseling, maar de afgelopen twee tot drie jaar steeds vaker. Geen wonder dat ze in opstand komen. Ze willen een andere directie en ze willen ander personeel. Ze hebben heimwee naar de buurtwinkels. Dat zullen ze vandaag en bij de Kamerverkiezingen laten weten. Wie daar wonderen van verwacht, is binnen een half jaar teleurgesteld. Want als iets zo ingewikkelds als `de maatschappij' een paar jaar is verwaarloosd, kost het tweemaal zoveel tijd om er weer iets behoorlijks van te maken. De verwaarlozing zit tot in de nerven. Misschien hebt u er zelf aan meegewerkt. Of niet u, maar uw buurman. Vanavond weten we wie de schuld heeft gekregen, en wie ons zal moeten redden.