Helen Mirren

In de reeks profielen van hedendaagse sterren deze week Helen Mirren, die voor de rol van Mrs. Jones, de huishoudster in `Gosford Park' onlangs haar tweede Oscarnominatie behaalde.

Er zijn niet veel sterren die hun reputatie eerder ontlenen aan wat ze in het theater gedaan hebben dan op televisie en in bioscoopfilms. Hoe veel mensen zullen Helen Mirren in het seizoen 1974-75 bij The Royal Shakespeare Company de rol van Lady Macbeth hebben zien spelen? In ieder geval een fractie van het aantal kijkers naar films als Caligula (Tinto Brass, 1980) of Teaching Mrs. Tingle (Kevin Williamson, 1999), laat staan de miljoenen die Mirren bewonderden als inspecteur Jane Tennison in vijf televisieseries onder de titel Prime Suspect (1990-95; een zesde serie wordt vermoedelijk eind dit jaar opgenomen).

Toch las ik laatst nog hoe Mirren beschreven werd als de actrice die zo veel naaktscènes doet. En ik moet toegeven dat de nu 55-jarige Mirren nog steeds seksuele politiek bedrijft met de lichamelijkheid van haar rollen. In een interview beschreef ze het geheim van haar succes eens als `being cool about not being gorgeous'. Een indiaanse tatoeage op haar linkerhand heeft ze nooit laten verwijderen, om zichzelf permanent te herinneren aan een verleden als `bad girl'.

De als Ilyena Lydia Mirionoff (Chiswick, 26 juli 1946) geboren dochter van een Russische aristocraat, die zowel violist als taxichauffeur was, mocht al op haar twintigste voor de RSC spelen en daarna met theatervernieuwer Peter Brook op tournee. Na onopvallend werk in grote films als O Lucky Man! (Lindsay Anderson, 1973) en Excalibur (John Boorman, 1981), kreeg ze de eerste goede filmkritieken door de rol van Bob Hoskins' gangsterliefje in The Long Good Friday (John MacKenzie, 1981). In 1984 won Mirren de prijs voor beste actrice in Cannes voor Cal (Patrick O'Connor), en kreeg die prijs weer in 1995 voor de rol van koningin Charlotte in The Madness of King George, die haar tevens de eerste Oscarnominatie bezorgde, nu gevolgd door een tweede voor de almachtige huishoudster in Gosford Park. Tot de andere bekende regisseurs die gebruik maakten van Mirrens capaciteiten behoorden Peter Weir (The Mosquito Coast, 1986), Paul Schrader (The Comfort of Strangers, 1991) en Sean Penn (The Pledge, 2001).

In de adelstand is Helen Mirren nog niet verheven: haar uitstraling is misschien te gevaarlijk, te `bitchy' of te kil voor een Dame, maar vanwege capaciteiten en staat van dienst zou het wel een passende onderscheiding zijn. Weinigen zagen haar titelrol in de nauwelijks vertoonde biografische film The Passion of Ayn Rand (Christopher Menaul, 1999), maar het lijkt een ideale casting: de kwetsbare hardheid van een intelligente, excentrieke carrièrevrouw die in extremo het Amerikaanse kapitalisme belichaamt. Vreest premier Blair of koningin Elizabeth nog Ayn Rand?