Genezen in deeltijd

Lange tijd gingen medische specialisten prat op hun slopende werkweken. Nu wil ook de arts meer tijd voor zichzelf, of voor de kinderen. Bestaat dat, een roeping in deeltijd? Het is wennen, maar het tekort aan specialisten helpt daarbij. `Iemand die drie dagen wil werken, is beter dan niks.'

Het vooruitzicht onder het mes te moeten bij een hersenchirurg die drie dagdelen per week werkzaam is als binnenhuisarchitect, of om een recept te krijgen van een deeltijdinternist die daarnaast een pizzeria drijft, spreekt weinig patiënten aan. Maar onder medisch specialisten wint werken in deeltijd juist terrein. De archetypische specialist die bijna altijd beschikbaar is en die leeft voor de patiënten, verdwijnt langzaam uit het ziekenhuisbeeld.

,,In de zeven jaar dat ik hier werk laat onze directie steeds nadrukkelijker weten meer vrouwen te willen aantrekken, en dat zijn vaak deeltijdwerkers'', zegt Willem Hustinx, fulltime internist en secretaris bestuur medische staf van het Diakonessenhuis in Utrecht. ,,Overigens heeft ons ziekenhuis in die tijd vrouwen noch deeltijdwerkers aangesteld, maar over het hele land bezien rukt het deeltijdwerken op.''

Phil Heiligers, universitair docent sociale en organisatie-psychologie in Utrecht, doet in opdracht van het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) al jaren onderzoek naar deeltijdwerk onder specialisten, en hoe dat te organiseren. Vijfenveertig procent van de aankomende mannelijke specialisten en tachtig procent van de vrouwelijke verklaarde in deeltijd te willen werken indien de mogelijkheid er was. In werkelijkheid zijn het er nog niet zo veel – nog niet.

Heiligers: ,,De ouderen hebben langzamerhand en noodgedwongen geaccepteerd dat de jongere generatie anders over werken denkt, en het leven anders wil inrichten dan zij gewend zijn. Noodgedwongen, want als je niemand meer krijgt voor een volle werkweek is aanpassing onvermijdelijk.'' De door Heiligers gevonden percentages verrasten de vakorganisaties. ,,Het zou een ramp zijn als er inderdaad zoveel specialisten gingen parttimen'', signaleert ze.

Maar wat is daar eigenlijk op tegen? Haast iedereen in het medische circuit kan bevestigen dat een deel van de bezwaren irrationeel is, of zelfs emotioneel: geneeskunde, en een specialisme al helemaal, is een roeping, en een deeltijdroeping bestaat niet. Maar veel specialisten vinden het krijgen en grootbrengen van kinderen minstens zo belangrijk als hun werk. Verder komen er steeds meer vrouwelijke specialisten. Vrouwen vormen sinds jaren een meerderheid onder de medicijnenstudenten. En aangezien moeders nog altijd meer verantwoordelijkheid dragen voor de kinderopvang en -verzorging dan vaders, is de opmars van het deeltijdwerken onder specialisten al half verklaard.

De andere helft is het verlangen naar minder werkdruk. ,,Er bestaat steeds meer behoefte aan vrije tijd'', zegt Hustinx over de 115 specialisten in zijn ziekenhuis, van wie er tien in deeltijd werken. ,,De werkbelasting per uur dat je aanwezig bent begint toe te nemen. De specialisten willen meer ontspanning, ze hebben geen zin meer zich stuk te werken.''

Dat het specialistenbestaan zwaar is ontkent, intussen niemand. Vooral chirurgen, gynaecologen, anesthesisten, kinderartsen en internisten worden frequent opgeroepen als ze nacht- of weekenddienst hebben, en in kleinere maatschappen hebben ze dat vaak. De wens een dag minder te werken, of twee zelfs, en naar rato minder diensten te draaien, lijkt een logische reflex. Tot voor een jaar of tien was dat not done, maar nu wordt het in rap tempo gewoon. De vierdaagse werkweek is al zo normaal dat menigeen zich afvraagt of dat nog deeltijd is. Heiligers denkt dat `voltijd` over een paar jaar gelijk zal staan aan vier dagen, exclusief diensten.

De werkelijke aantallen deeltijdspecialisten zijn overigens hoger dan de officiële: haast allemaal hebben de fulltimers een of twee dagdelen ingeruimd voor administratie en andere klussen dan patiëntenzorg. En velen kunnen dat werk in de reguliere dagdelen wegmasseren, aldus enkele anonieme bronnen. Een prikklok zou het bewijs kunnen leveren.

M.J. Affourtit, kinderarts in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam, begon in 1992 met deeltijdwerk in het Rotterdamse Ikazia ziekenhuis: eerst zeventig procent, later zestig. Ze heeft zelf kinderen en die eisten ook tijd. ,,In de kindergeneeskunde kwam het al wat vaker voor, elders was het zeer ongebruikelijk'', zegt ze. Toch vielen de werkelijke problemen mee. Patiënten die er geen enkele moeite mee hebben op donderdag een andere arts te zien dan op dinsdag zijn schaars, en bij kinderen ligt dat mogelijk nog gevoeliger. ,,Met vaste patiënten maak je gewoon vaste afspraken, op jouw werkdagen'', zegt Affourtit. Dat kinderen op de raarste momenten ziek worden was een complicatie, ,,maar dat gebeurt doorgaans buiten kantooruren. De specialist waar het kind normaal komt, is er dan toch vaak niet, ook al werkt hij of zij fulltime.''

Chronische patiënten dan, die dagelijks aandacht behoeven – hebben die geen hinder van deeltijdwerk? In het Ikazia ziekenhuis speelde dat zeker niet, zegt Affourtit. ,,Daar waren maar drie kinderartsen, en die kenden alle langdurige patiënten. In een ziekenhuis met veel artsen is die continuïteit moeilijker te bieden. Het is grotendeels een kwestie van organisatie.'' De organisatie van haar eigen gezinsleven is dankzij het deeltijdwerken een stuk simpeler. Anno 2002 werken ook veel mannelijke kinderartsen in deeltijd: ,,Voor een dagje hobby'', signaleert Affourtit, ,,en vaak ook om thuis een deel van de kinderzorg op zich te nemen.'' Heiligers heeft een wat ander beeld van de vrijetijdsbesteding van deeltijdmannen met kleine kinderen: ,,Ze willen niet zozeer de kinderen opvangen, maar rust. En als de kinderen groot zijn gaan ze vaak weer langer werken.''

Hoe deeltijdwerk te organiseren is de ene belangrijke reden voor het NIVEL-onderzoek. De andere is het aandragen van gegevens voor de landelijke capaciteitsplanning op de middellange termijn: als alle specialisten parttime gaan werken, zijn er tweemaal zoveel nodig. Heiligers: ,,De Nederlandse Internistenvereniging heeft me gevraagd plannen te maken voor het organiseren en roosteren van deeltijdwerk, zodat niet elk ziekenhuis het wiel hoeft uit te vinden.'' De wens naar een strakkere organisatie heeft te maken met het grootste medische bezwaar tegen meer deeltijdwerk: hoe meer artsen één patiënt successievelijk behandelen, hoe meer overdrachten. Elke overdracht kan informatieverlies met zich meebrengen, en vooral in kritieke situaties kan dat gevaarlijk zijn. Heiligers: ,,De deeltijder is er niet, en net dan gaan er dingen mis. Dat moet héél goed worden gedocumenteerd. Vroeger kon er veel meer in de wandelgangen, want iedereen was er toch elke dag. Nu moeten ze veel strakker plannen, vergaderen en vastleggen. Dat betekent ook: meer professionalisering. Deeltijdwerk kan de efficiëntie bevorderen, het heeft ook voordelen.''

Problemen met overdrachten? Deeltijdpathologe I.A. Koelma in het Haagse Ziekenhuis Bronovo annex moeder ziet dat anders – bij zichzelf en als ze om zich heen kijkt. ,,Jarenlang was er een ronduit negatieve houding ten opzichte van deeltijdspecialisten. De parttimers zijn zich goed bewust van hun positie - zeker onder mijn generatie, die dat verzet nog echt heeft meegemaakt. Je kijkt er wel voor uit dat er weer iets negatiefs ontstaat rond deeltijdwerken. Een parttimer doet overdrachten misschien wel nauwkeuriger dan een fulltimer die verwacht er de volgende dag weer te zijn.''

Die nauwkeurigheid telt in elk geval zeer zwaar voor Alexander de Vries, een van de weinige deeltijdchirurgen en werkzaam bij het Medisch Centrum Haaglanden. Omdat chirurgen hun patiënten over een lang traject behandelen en begeleiden, gold deeltijdwerk bij dat specialisme lang als onmogelijk. Zo ook bij de maatschap van Haaglanden, tot twee jaar geleden ,,Een van onze negen leden werd gedeeltelijk arbeidsongeschikt'', aldus De Vries. ,,Toen moesten we wel afspraken maken, en het bleek te kunnen.'' Spoedig schakelde een tweede maatschapslid vanwege haar moederschap terug naar vier dagen, en De Vries volgde `om allerlei redenen'. Na een zware operatie komt hij op zijn vrije donderdag wel eens een patiënt opzoeken, ,,en ik vind het niet vervelend dan naar pianoles te gaan''. Hij voorspelt een golf van deeltijdspecialisten, ook in de chirurgie.

Marleen de Groot, arts en ambtelijk secretaris van de medische staf van Bronovo, onderkent dat het voor patiënten niet ideaal is als ze steeds weer een andere deeltijdspecialist zien, ,,maar je krijgt wel goed uitgeruste artsen''. Bronovo telt nu 16 parttimers, allen vrouwen, op een totaal van 73 specialisten, onder wie 22 vrouwen. Koelma vult aan: ,,Dat is een voordeel van parttime: je houdt makkelijker plezier in je werk. Problemen van je werk kun je ook makkelijker op je werk achterlaten, want de volgende dag ga je iets heel anders doen. Hetzelfde geldt voor kwesties met kinderen thuis.'' Ze heeft als pathologe het voordeel dat contact met patiënten geen grote plaats inneemt, zodat ze 's ochtends tijd heeft eerst de kinderen naar school te brengen.

Het lijkt misschien een detail, maar het is cruciaal. ,,Vriendinnen van mij die eerder moeten beginnen, hebben een probleem. Zonder een man die pas om negen uur begint of een au pair lukt het niet. Als je als moeder nachtdienst draait en uit je bed gebeld kan worden, moet je iemand in huis hebben. Dat gaat niet met een man die veel reist. Dit soort kwesties zullen in de toekomst steeds meer voorkomen.''

Goed nieuws: veel soorten specialisten zijn schaars en kunnen eisen stellen. De Groot en Hustinx laten namens de directies van hun ziekenhuizen weten dat deeltijdspecialisten van harte welkom zijn, al signaleert Hustinx wel veel verzet onder zijn collega-specialisten. De Groot: ,,Zolang er voor bepaalde vakgebieden overbelangstelling is, kunnen we de voorkeur geven aan een fulltimer. Maar de markt wordt steeds krapper. Als we praktisch zijn gaan we werven voor een fulltimer of een combinatie. Zoveel specialisten, ook mannen, willen in deeltijd werken. Als wij zeggen: doe maar een dagje minder, vergroten we de pakkans.'' Koelma: ,,Iemand die drie dagen wil werken, is beter dan niks.''

Het zijn geen landsdekkende uitspraken over de mate waarin deeltijdwerk wordt aanvaard. Erik Mees, huisarts te De Meern: ,,Je ziet het weinig, het wordt slecht geaccepteerd.'' Ellen Quarles van de Orde van Medisch Specialisten: ,,Er is een mentaliteitsprobleem, gebruikelijk is het nog niet. Een specialist in vaste dienst kan wel zeggen: ik wil vanaf nu per se in deeltijd gaan werken, daar heb ik recht op, het is maatschappelijk aanvaard blablabla. Maar dan forceer je iets, dan komt er een wachtlijst – dat is niet ideaal.'' Reinier Braams, intensive care internist van het Universitair Medisch Centrum Utrecht: ,,Het omslagpunt in de acceptatie van vier werkdagen hebben we nu wel gehad. Maar veel specialisten betwijfelen of drie dagen werkbaar is binnen een maatschap, dan ben je een halve week aan het overdragen. En over tien jaar is vijftig procent misschien helemaal ingeburgerd. Dan vragen we ons af: waar deden we vroeger zo moeilijk over?''