Dynamiek zonder scherpe randjes

Valt het te berekenen uit hoeveel bewegingen een choreografie van Conny Janssen bestaat? Een eenvoudig stukje duet verloopt als volgt: een danser en danseres staan schuin tegenover elkaar, hij rondt zijn armen tot een hoepel waar zij met haar bovenlijf door heen glipt. Daarna leunen ze speels tegen elkaar aan waarna zij hurkt en hij zijn been over haar heen zwiept. Vervolgens staan ze achter elkaar in een wijde beenpositie, met de bovenlijven naar rechts en links toe getrokken. Ze wisselen dat in wiegend tempo een paar keer en sluiten dan de frase af waarbij hij ferm en hoog over zijn over de grond rollende partner springt.

Hun actie duurt nog geen tien seconde, de choreografie ruim een uur. Dus reken maar uit. Ach het exacte cijfer doet er niet toe. Je kunt ook zo wel zien dat Janssens dans een myriade aan bewegingen herbergt, overigens zonder hijgerig of hectisch te worden. Daarvoor is haar stijl voldoende lichtvoetig, al opereren de dansers vaak dicht bij de grond. Daarbij zijn de vormen organisch, afgerond en zacht, zonder scherpe randjes. Maar wel krachtig en duidelijk ontstaan vanuit felle impulsen en een stevige dynamiek.

No. 1 /Number One dat Janssen voor negen dansers maakte - oorspronkelijk waren vijf paren de bedoeling - is levendig en speels. Geheel zonder thema is haar werk nooit, hier `de eenling binnen de groep'. Gelukkig wordt dat clichématige gegeven amper verbeeld. Wel zijn er vaak `ontmoetingen' tussen de dansers, uiteraard in de vorm van duetten. Die lenen zich goed voor het uitdrukken van gevoelens, van verliefdheid met aandachttrekkende plagerijen of boosheid na de afwijzing. Ook daarin overheerst het lichte. Soms pakt dat zoetsappig uit.

Een ander moment zou je willen dat de maakster iets minder voorzichtig met lyriek omging zodat de dans kan ontroeren. Maar precies goed van sfeer, om niet te zeggen perfect is het slotduet door Froilán Medina Hernández met Marta Reig Torres, met slepende en slijpende, en mal overdreven dwarse bewegingen; mierzoet en gepekeld tegelijkertijd. In de trio's bekommert Janssen zich minder om gevoelens en geeft zich dan over aan het kneden van dansende lijven wat resulteert in mooie sculpturale formaties die veeleer van peksteen lijken dan van graniet.

Nu mag dit intussen allemaal vertrouwd zijn voor wie Janssens werk volgt, een vernieuwend element is in Nr. 1/Number One de sfeerbepalende vormgeving. Die bestaat uit grote kokers die bij aanvang de dansers omhullen en hen onthullen als ze omhoog gehesen worden, waar ze verstild en droomachtig als wolken blijven hangen. Realistisch zijn drie half pipes die aan weerszijden van het toneel staan en waarvan de spiegelgladde huid doorloopt in stroken op de dansvloer. Die verandert bij tijd en wijle in een speeltuin waarin vooral de vier mannen én Iris Reyes zich uitleven. Ze klimmen, glijden en koprollen dat het een lieve lust is. Soms lijken ze spelende dolfijnen. Fenomenaal is ronduit hoe de dansers op kousenvoeten het skaten nadoen.

Gelukkig gebruikt Janssen die spectaculaire dansacrobatiek maar even en dan voluit waardoor de dans niet ontaardt in apenkooien. Passend ook bij de kwikzilveren dansers en het decor zijn de sierlijke kostuums.

Conny Janssen Danst met No.1 / Number One. Choreografie: Conny Janssen. Gezien: 2/3 in Theater Zuidplein, Rotterdam. Toernee t/m 6/5. Inl.: 010-4529912 of www.connyjanssendanst.nl