Droom van hockeyend Maleisië is vervlogen

Gastland Maleisië juicht om de nationale ploeg bij het WK hockey, ook al vervloog gisteren de droom op het bereiken van de halve finales en werden `de geesten van 1975' niet begraven.

Niemand die het voor mogelijk had gehouden, zelfs de immer goedlachse Maleisiërs niet. Maar in de afsluitende speelronde in groep B kreeg het gastland gisteren een onverwachte kans zich alsnog te plaatsen voor de halve finales van het wereldkampioenschap hockey. Na de verrassende 2-0 nederlaag van het door blessures gekwelde Zuid-Korea tegen Engeland stond de Maleisische ploeg plotseling voor de taak om het reeds uitgeschakelde Polen met negen doelpunten verschil te verslaan.

Dat bleek al snel een onmogelijke opdracht voor een elftal, dat uiteindelijk van geluk mocht spreken dat de flegmatieke Polen genoegen namen met een gelijkspel: 2-2. Ondanks de noodkreet (,,We want goals!'') vanaf de tribunes, waar zich ruim 16.000 supporters onder wie veel meisjes met hoofddoeken hadden verzameld om de thuisploeg met ritmisch tromgeroffel aan te moedigen.

Voorafgaande aan het duel zoemde een gerucht door de catacomben van het Bukit Jalil-stadion. Maleisië zou, zo wilde het verhaal, de wedstrijd `gekocht' hebben. Het gastland kijkt immers niet op een paar ringgit (de nationale munt) meer of minder. Bovendien kon het armlastige Polen wel een zakcentje gebruiken. Bondscoach Jerzy Jaskowiak nam slechts zeventien in plaats van de toegestane achttien spelers mee naar Kuala Lumpur, nadat drie internationals onder wie scherpschutter Piotr Mikula vorige maand werden bedankt na een financieel geschil met de bond.

Maar van omkoping was geen sprake en opgetogen vervolgt Maleisië het toernooi morgen met een treffen tegen het ontgoochelde Pakistan, met als inzet de strijd om de vijfde plaats in de eindrangschikking. Tevreden zijn de Maleisiërs toch al. Vooral de sensationele zeges op de grote Aziatische `buurman' India (3-2) en voormalig kolonisator Engeland (2-1) verzachten de pijn van het mislukken van het heimelijke doel: een verbetering van de `historische' vierde plaats die Maleisië bij het vorige WK voor eigen publiek (1975) afdwong.

In een land dat niet verwend is met sportieve successen staat de hockeyploeg dezer dagen in het middelpunt van de belangstelling. Twee dagen voor het begin van het toernooi kwam minister-president Abdullah Ahmad Badawi de spelers hoogstpersoonlijk de hand drukken met de mededeling dat ,,jullie de geesten van 1975 moeten begraven''. Ook de Maleisische pers laat zich niet onbetuigd. Maar zijn het de ene dag nog `onze jongens' die worden doodgeknuffeld, na een mindere prestatie schromen de 97(!) schrijvende journalisten niet om het team terug op aarde te zetten als `een middelmatig ploegje dat zichzelf vooral niet groter moet voordoen dan het is'.

Kosten noch moeite spaarde de Maleisische hockeybond (MHF) niettemin om de magie van het vorige WK in eigen land op te roepen. Vijftig oefenduels, uitgesmeerd over twaalf maanden, speelde de nationale ploeg die met het oog op de WK-missie voor eigen publiek een Europese coach in de armen nam: Paul Lissek, de Duitse strateeg die zijn vaderland naar één olympische (1992) en twee Europese titels (1995 en '99) leidde.

Bijna nog ging het WK aan hem voorbij, toen zijn moeder vlak voor het toernooi overleed. In allerijl vloog Lissek terug naar Duitsland voor de begrafenis, om net op tijd terug te keren en vervolgens een bescheiden doelstelling te formuleren. ,,Minimaal een tiende plaats'', eiste hij. Oftewel: één treetje hoger dan vier jaar geleden in Utrecht.

Vraag was alleen wat Lissek bezielde met de keuze voor het sterke Australië als eerste tegenstander. Als gastland had Maleisië het recht op inspraak bij het samenstellen van het speelschema. WK-debutant Cuba leek een betere keuze, maar wat betoogde Lissek? ,,Alleen met een volledig fitte en gretige selectie maken wij een kans tegen Australië. Zo goed zijn wij namelijk niet.''

Dat mag de `hockeyprofessor' ook zichzelf aanrekenen. Lissek heeft zijn ploeg zoveel speldiscipline bijgebracht dat elk vleugje creativiteit uit het elftal verdwenen is. Zodra zijn spelers ontsnappen aan het tactische keurslijf, gaat het prompt mis en volgt de ene na de andere onbegrijpelijke blunder. Het verleidde Lissek na de benauwde overwinning op Japan (1-0) tot een cynische plaagstoot: ,,Als de spelers wat vaker hun hersens zouden gebruiken, wordt Maleisië ooit wereldkampioen.''

Aan de strijdlust ligt het niet. Routinier Maninderjit Singh zeeg zaterdag na de slijtageslag tegen Engeland ineen en werd met uitdrogingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. Het leverde de verdediger een dag later lovende commentaren op in de pers.

Dat gold niet voor voorzitter Els van Breda Vriesman van de internationale hockeyfederatie FIH. Die ging de gastheren donderdag op de tenen staan met de opmerking dat ,,ze onze adviezen in de wind hebben geslagen''. Aanleiding voor die terechtwijzing was de sfeerloze openingsceremonie (tweehonderd toeschouwers, onder wie 180 officials) die vreemd genoeg niet voorafgaand aan de drukbezochte wedstrijd Maleisië-Australië (0-3) begon, maar op een tijdstip (14.00 uur) dat vrijwel niemand zich ophield in of rondom het stadion.

Van Breda Vriesmans woorden werkten als een boemerang: drie dagen later werd de juriste uit Vught in The Sunday Mail gebrandmerkt als `Little Miss Perfect'. In een bijtend commentaar onder de kop `Wees geen hypocriet, Els' herinnerde de krant verder fijntjes aan de `belachelijke hoeveelheid Nederlandse officials': toernooidirecteur Wiert Doyer, assistent-manager scheidsrechterszaken Peter von Reth, FIH-commissieleden Bob Davidzon en Theo Ykema en media-officer Arjen Rahusen.

Ook MHF-secretaris Satganum reageerde als door een adder gebeten en verweet de FIH-voorzitter ,,zelf geen vinger te hebben uitgestoken''. Bovendien: was de MHF vorig najaar niet zo vriendelijk de India ontnomen Champions Challenge op het laatste moment over te nemen? En organiseert Maleisië niet jaarlijks een vlekkeloos toptoernooi in de vorm van de Sultan Azlan Shah Cup? Nee, kritiek was niet gepast, meende Satganum en met hem de overige leden van de door de steenrijke voorzitter Sultan Azlan Shah geleide bond.