De Paulus Potter van het aquarium

In het Haags Gemeentemuseum is al sinds 1935 de zogeheten `Dijsselhof-kamer' te zien die in 1897 werd ontworpen door de kunstenaar Gerrit Willem Dijsselhof voor het huis van een Amsterdamse arts. De inrichting van het vertrek was een radicale afrekening met de muffe, neo-barokke Hollandse huiskamer uit de negentiende eeuw. Met het voor die tijd strakke en ranke meubilair, de tere kleurstellingen en de gebatikte wandpanelen vol sierlijk gestileerde vogels, is de kamer een toonbeeld van de ingetogen manier waarop de Nieuwe Kunst omstreeks 1900 in Nederland gestalte kreeg. Dit voorjaar vormt de kamer de apotheose van een overzichtstentoonstelling van Gerrit Willem Dijsselhof (1866-1924), de eerste die ooit aan zijn werk is gewijd.

De ondertitel van de expositie luidt `Dwalen door het paradijs'. Met het woord `paradijs' wordt verwezen naar de dichtbundel The Earthly Paradise van de Engelse schrijver, schilder en ontwerper William Morris (1834-1896) die voor Dijsselhof en andere sierkunstenaars uit die tijd een lichtend voorbeeld was.

Net als Morris verfoeide Dijsselhof de industrialisatie en streefde hij naar een herstel van oude ambachten. In 1886, toen hij 20 jaar was en op de kunstnijverheidsschool zat, verkondigde hij aan zijn medescholieren dat fabrieken slechts `zielloze' dingen voortbrengen en alleen handwerk tot schoonheid kan leiden. Behalve de kunstnijverheidsschool bezocht hij ook de tekenacademie, hij volgde een boetseerklas en een opleiding voor bouwkundig tekenen. In die verschillende opleidingen kwam de veelzijdigheid al tot uiting die hij later in zijn werk zou tonen. Dijsselhof werd niet moe zich in allerlei technieken te bekwamen. Hij tekende en schilderde, experimenteerde met batikken en houtsnijden, ontplooide zich als grafisch vormgever, typograaf en meubelontwerper en maakte ook nog borduurpatronen en glas-in-loodramen.

Maar hoe veelzijdig zijn oeuvre ook was, Gerrit Willem Dijsselhof zou eigenlijk alleen maar naam maken als vissenschilder, als de Paulus Potter van het aquarium. In de eerste zaal van de tentoonstelling, waar een serie grote schilderingen hangt van kreeften, kabeljauwen, schollen en ponen in hun mysterieuze onderwaterwereld, waan je je bij binnenkomst ook werkelijk even in een aquarium. Waarom hij als schilder zo gefascineerd was door vissen zal wel een raadsel blijven. Waren het hun vragende ogen, die hij altijd zo expressief weergaf, hun glanzende schubben, vinnen en zwieberstaarten? Of was het de diffuse, groenige diepzee met zijn koralen, anemonen en andere wonderlijke groeisels? Toen Dijsselhof zijn `aquariumstukken' in 1891 voor het eerst toonde, had hij er direct succes mee. Die vroege, druiperig geschilderde aquarellen, waar hij de vissen met de pen intekende, doen enigszins Japans aan en misschien was het wel de Japanse kunst die hem tot dit werk inspireerde.

Op de tentoonstelling nemen de aquariumstukken maar een klein deel van de ruimte in beslag. Dijsselhofs idealisme dreef hem al snel helemaal in de richting van de toegepaste kunst en die vult dan ook de meeste zalen. Vooral zijn boekversieringen en zijn vormgeving van bijvoorbeeld diploma's en kalenders toont de invloed van de Engelse Arts and Crafts-beweging en van de Nederlandse architect Cuypers die net als Dijsselhof begeesterd was door de kunst van de middeleeuwen. De kalenderbladen van Dijsselhof doen meteen denken aan middeleeuws getijdenboeken. Maar tegelijk neigde zijn werk meer en meer naar de Art Nouveau, al bleef het wel een typisch Hollandse, sobere versie van de slingerstijl.

Aan alle ontwerpen van Dijsselhof, of het nu om letters, stoelen, tafels of behang ging, is goed te zien hoeveel zorg hij eraan besteedde en hoe perfectionistisch hij was. Dat perfectionisme zou hem uiteindelijk de das omdoen. Het maakte zijn kunstnijverheid duur en moeilijk verkoopbaar. Na tien jaar experimenteren met alle soorten van toegepaste kunst keerde hij in 1905 dan ook noodgedwongen terug naar zijn vertrouwde vissen, die tenminste geld in het laatje brachten. Tot zijn dood in 1924 bleef hij vissen schilderen en af en toe een braaf landschapje. Het expressieve, grote gebaar en de durf waarmee zijn vroege aquariumstukken waren opgezet, maakten nu plaats voor steeds kleinere, realistische diepzeetafereeltjes van een schooltje rode ponen of een snoekbaars die zich eenzaam een weg door het water baant. Het is niet moeilijk om in dit werk de desillusie te projecteren van al zijn gefnuikte idealen.

Tussen de grafische ontwerpen uit zijn kunstnijverheidsperiode hangen op de expositie ook enkele schetsjes van Amsterdamse volkstypen en van apen, hazen en andere dieren die hij in Artis zag. Deze sublieme tekeningetjes lijken het enige werk waarin Dijsselhof zich onbezonnen durfde te uiten en niet geplaagd werd door zijn drang tot perfectie.

Expositie: Gerrit Willem Dijsselhof, Gemeentemuseum Den Haag, t/m 12 mei.