De laatste vissers van Moddergat

Indachtig het spreekwoord 't Mag vloeien, 't mag ebben. Die 't niet waagt, zal 't niet hebben zijn er door vissers vaak onverantwoorde risico's genomen. Er is dan ook een lange lijst van vissersschepen die met man en muis vergingen. Tussen 1860 en 1976 verdronken maar liefst 776 vissers uit Scheveningen, 719 uit IJmuiden, 427 uit Vlaardingen, 261 uit Katwijk, 187 uit Maassluis, 121 uit Middelharnis, 118 uit Urk en 109 uit Westdongeradeel.

Westdongeradeel? Is dat een vissersplaats? Deze weinig bekende gemeente in het noorden van Friesland heeft zijn naam op de lijst te danken aan de tragische ondergang van de nagenoeg complete vissersvloot van het tweelingdorp Paesens en Moddergat op 6 maart 1883.

Na een lange winter van gedwongen nietsdoen waren de vissers van Moddergat en Paesens niet meer te houden toen een hogedrukgebied voor prachtig voorjaarsweer zorgde. In de nacht van zondag op maandag vertrokken 22 schepen met 109 mannen en jongens aan boord. Het doel van de reis was het Scholveld ten noordoosten van Borkum. Het weer was op maandag nog tamelijk goed. Hoewel de luchtdruk in de loop van de dag daalde (in Leeuwarden van 777 naar 755) en de wind flink aanwakkerde, hadden de vissers op zee hierin geen reden gezien om voortijdig naar huis terug te keren. Pas in de late avond, toen een storm aantrok, werd de terugreis begonnen. Maar doordat de wind telkens van richting veranderde en doordat de buien een goede oriëntatie onmogelijk maakten, kwam een deel van de vissersvloot in een gebied terecht waar het varen moeilijk werd. Er ontstonden grondzeeën die boven de vijftien meter hoge voormast uitkwamen. Geprobeerd werd om door de zeegaten van de eilanden door het vasteland te bereiken. Bij het aanbreken van de zesde maart waren al vier schepen ver in zee omgeslagen. Later op de dag vergingen nog dertien andere schepen dichter bij de eilanden. Slechts vijf schepen keerden behouden terug. Van de 109 vertrokken vissers overleefden 83 de ramp niet. Van de vergane schepen overleefde slechts één bemanningslid de ramp.

Gerben Basteleur vormde samen met zijn vader, broer, oom en neef de bemanning van de WL2. Deze blazer was een jaar daarvoor op de werf van Zwolsman in Makkum gebouwd en was dus nog in alle opzichten zeewaardig. Op het moment dat Gerben in het vooronder ging om te kijken naar zijn onwel geworden oom, raakte hij door een klap buiten bewustzijn. Toen hij weer bij zijn positieven kwam, stond hij tot zijn middel in het water. Hij merkte dat het schip was omgeslagen en op zijn kop bleef drijven. ,,Nog een poos dreven we voort. Toen voelden we een geweldigen schok. Daarop volgde een gekraak om er doof van te worden. Het tuig had de grond geraakt, de mast was afgeknapt. We naderden blijkbaar het strand. Later bleek het, dat het op het strand van Schiermonnikoog was. Het schip woelde zich nu spoedig in het zand. Het water steeg hoger en hoger in 't vooronder. Ik probeerde wat hoger met het hoofd te komen. Na enig zoeken gelukte mij dit, doordat ik een dwarsbalk boven me vond, waar ik met armen en borst op ging leunen. Omke was toen al zó uitgeput, dat hij niet meer omhoog kon komen. Nog een tijdlang heb ik geprobeerd, hem boven water te houden. Eindelijk bleek me, dat hij in mijn arm gestorven was.''

Dit moest rond acht uur in de avond zijn gebeurd. De hele nacht zat Gerben gevangen in het vooronder. Hangend op een balk in het koude water beleefde hij moeilijke uren. Soms werd het hem te veel. ,,Het leven gold me niets meer. Uit wanhoop liet ik mij in het water glijden, om een eind aan mijn lijden te maken. Maar dat is me niet gelukt, ik kwam niet verder dan tot mijn borst in het water, de eb was inmiddels ingetreden.''

Op woensdagmorgen om tien uur hoorde Gerben stemmen om het schip. Hij had voldoende kracht om hen te waarschuwen. Na zijn redding en ondanks honger en vermoeidheid, realiseerde hij zich welke verschrikkelijke ramp zijn dorp getroffen had en ,,vergat ik mijn blijdschap en treurde met mijn dorpelingen mee''.

De ondergang van de vissersvloot van Moddergat en Paesens liet zeer veel mensen in hulpbehoevende omstandigheden achter. Een opgezette inzamelingsactie bracht meer dan ƒ135.000 op, een bedrag dat zeer behoedzaam werd uitgegeven – de laatste uitbetaling aan weduwen werd in 1926 gedaan.

Deze ramp bezegelde het lot van de twee Noord-Friese dijkdorpen als vissersplaats. Hun concurrentiepositie was in vergelijking met echte havens toch al ongunstig. Bovendien lagen Moddergat en Paesens ver van de vismarkten. De ramp van 1883 heeft de teloorgang van zeevisserij in Noord-Friesland versneld, maar zou ook anders onafwendbaar zijn geweest.

H.A.H. Boelmans Kranenburg en J.P. van de Voort, Een zee te hoog. Scheepsrampen bij de Nederlandse Zeevisserij 1860-1976 (Bussum, 1979); R. IJbema, De ramp van Moddergat (z.p., 1973 2de druk).