Pruisische Mythe is rijp voor mestvaalt

Het noemen van de naam Pruisen treft in Duitsland en daarbuiten nog steeds een open zenuw. Dat is niet terecht, meent Kees M. Paling. Historische waandenkbeelden mogen het nationale en internationale debat niet hinderen.

Aan het begin van de 21ste eeuw wordt Duitsland nog altijd achtervolgd door de schaduwen van het verleden. Het geringste nostalgische sentiment bij onze oosterburen roept in alle Europese hoofdsteden onaangename herinneringen wakker. Dat gebeurde bij de val van de Muur, bij de Duitse eenwording, bij de inzet van Duitse troepen voor vredestaken in het buitenland en nu weer bij de plannen om de naam Pruisen te laten herleven bij de eventuele samenvoeging van de deelstaten Berlijn en Brandenburg.

De gedachte is op zichzelf niet onlogisch want Berlijn en Brandenburg behoren tot de oorspronkelijke Pruisische gebieden (van voor 1648) vanwaaruit ooit het machtige koninkrijk ontstond. Het voorstel is evenmin verrassend, want reeds bij de Duitse eenwording schreef de Duitse historicus Christian Graf von Krockow dat ,,het nieuwe Duitsland oostelijker, protestantser en Pruisischer zal zijn''.

Dat er in Duitsland, en straks ongetwijfeld ook in het buitenland, protesten opklinken bij dit voornemen, heeft alles te maken met de `Pruisische Mythe' – de overtuiging dat Pruisen de motor vormde achter de verschrikkingen van het Derde Rijk. Deze mythe leeft dus nog steeds voort, ondanks het feit dat zij nauwelijks verband houdt met de historische werkelijkheid.

De staat Pruisen werd op 25 februari 1947 per decreet opgeheven door de Geallieerde Controleraad in bezet Duitsland. Een opmerkelijke daad, aangezien Pruisen al geruime tijd had opgehouden te bestaan. Na de Tweede Wereldoorlog lag het voormalige Pruisische grondgebied immers versnipperd over Rusland, Polen, de Russische sector in Oost-Duitsland en de nieuw gevormde Länder in het westen. Bovendien waren regering en parlement al in 1932 aan de kant gezet, terwijl de monarchie in 1918 aan een weinig eervol einde was gekomen.

Dat de geallieerden het toch noodzakelijk achtten de Pruisische staat formeel op te heffen was een direct gevolg van de heersende vooroordelen over het Pruisische militarisme. Nu hoeft zeker niet ontkend te worden dat Pruisen een sterke militaire traditie kende. Onder Friedrich Wilhelm I, bijgenaamd `de Soldatenkoning', werd 80 procent van de staatsinkomsten aan het leger besteed. De Fransman Mirabeau merkte destijds dan ook spottend op dat ,,elke staat een leger heeft, maar dat alleen in Pruisen het leger een staat heeft''.

Ook bij de vorming van het Duitse keizerrijk had de kroning van de Pruisische Wilhelm I tot keizer van Duitsland nog het meest weg van een militaire exercitie: een taptoe met psalmzingend soldatenkoor, gebeden op bevel (`Helm ab zum Gebet!'), een liturgie volgens het Militair-Kirchenbuch, en overdonderende uitvoeringen van het `Heil dir im Siegerkranz' en de `Hohenfriedberger Mars' van Frederik de Grote door een militaire kapel.

Toch gold Pruisen onder Frederik de Grote als de beschaafdste rechtsstaat van heel Europa. Zolang men zijn verplichtingen aan de staat maar nakwam, genoot men in Pruisen relatief grote burgerlijke vrijheden. In Pruisen werd op dat moment geen heks meer verbrand en niemand tot bekering gedwongen, terwijl evenmin godsdienstvervolging of foltering plaatsvond. Voor de wet was een ieder gelijk, ongeacht godsdienst, nationaliteit of afkomst. In 1794, het jaar waarin de Brandenburger Tor werd voltooid – en dus tien jaar voor de Code Napoléon – had Pruisen de burgerlijke vrijheden al vastgelegd in het Algemene Pruisische Staatsrecht. Men behield er het recht op een eigen culturele identiteit en er werden geen pogingen ondernomen tot `germanisering'.

Zelfs toen het keizerrijk had opgehouden te bestaan, in de spreekwoordelijk instabiele Weimarrepubliek, vormde de staat Pruisen nog een toonbeeld van orde en rust. Terwijl op rijksniveau regeringswisselingen en staatsgrepen aan de orde van de dag waren, bleef in Pruisen de sociaal-democraat Otto von Braun – bijgenaamd `de laatste koning van Pruisen' – bijna twaalf jaar lang aan het bewind.

De historische vergissing die de Pruisische Junkers in 1933 begingen met het monsterverbond met Hitlers nationaal-socialisten, bevestigde voor de latere geallieerden alle vooropgezette ideeën over de Pruisische Mythe. Het toen wortelgeschoten wantrouwen en onbegrip maakte elke geallieerde steun aan de Pruisische oppositie bij voorbaat onmogelijk, zoals blijkt uit de studie The Unnecessary War, Whitehall and the German resistance to Hitler van de Britse Patricia Meehan. Alle pogingen van Duitse diplomaten (zoals Ernst von Weizsäcker) en officieren (Von Kleist, Beck, Von Moltke) om eind jaren derig de oorlog te voorkomen, of van de samenzweerders rond Von Stauffenberg in 1943-'44 om de oorlog eerder te beëindigen liepen stuk op met name het Britse wantrouwen jegens de Pruisische junkers. Na de aanslag van 20 juli 1944 deelden zij dat wantrouwen – bizar genoeg – met Hitler, die een waar bloedbad aanrichtte onder de junkerfamilies en in kringen van legerofficieren. Van het voormalige Pruisische garderegiment `Potsdam' zou meer dan de helft van de officieren slachtoffer worden van de Gestapoterreur.

De Duitse historicus Golo Mann kwam dan ook tot de conclusie dat ,,mocht in de periode voor de machtsovername door de nazi's de aristocratie ten oosten van de Elbe, of een deel ervan, zich met schuld hebben beladen, deze in belangrijke mate weer is ingelost door het offer van de 20ste juli''.

De Pruisische Mythe bleef echter hardnekkig voortbestaan, zoals iemand als Ernst von Weizsäcker tot zijn schade zou ondervinden. Wegens collectief geheugenverlies bij zijn Britse collega's werd hij in Neurenberg tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld; zijn eerherstel zou pas vele jaren later plaatsvinden.

Maar evenals de Pruisische Mythe leefde ook de Pruisische Geest voort: in 1991, vlak na de hereniging van de beide Duitslanden, werden de stoffelijke overschotten van de twee eerste koningen van Pruisen plechtig bijgezet in de Hohenzollerncrypte in Potsdam. Drie jaar later, bij de begrafenis van prins Louis Ferdinand von Hohenzollern was het eerbetoon zo mogelijk nog groter. Enkele tienduizenden mensen brachten de laatste eer aan de gestorven prins, onder wie vrijwel de gehele hogere adel van Europa. En de baar, die door de Brandenburger Tor werd gereden, was bedekt met de Pruisische vlag en omringd met kransen waarvan de linten teksten droegen als `Es lebe Preussen!' Er was zelfs een krans van de voormalige kadetten van het Pruisische garderegiment Potsdam', dat al in 1919 was opgeheven.

Een historisch besef dat zo diep geworteld blijkt in de bevolking van een land, mag bij de naamgeving van de eigen streek niet gehinderd worden door de waanbeelden van het verleden.

De enige Europeanen die zich zorgen zouden mogen maken, zijn de Polen, wegens een eventuele heropening van de discussie over de Oder-Neissegrens, zoals ook bij de Duitse eenwording het geval leek. Maar net als toen is het aan de Duitse overheid – federaal en Pruisisch – om die discussie in korte tijd te beslechten.

Het wordt hoog tijd dat met de Duitse Mark ook de Pruisische Mythe wordt afgedankt.

Kees M. Paling is auteur van onder meer `Galgemaal voor Pruisen; de mestvaalt van de geschiedenis'(1995).