Inkoper VOS zweeg over vervuiling

De toenmalige onderdirecteur J.H.O. van Vos BV wist dat de door zijn bedrijf geleverde glycerine, die in Haïti ten minste zestig kinderen het leven kostte, zeer onzuiver was.

Hij lichtte echter volgens eigen zeggen zijn verkoopfunctionaris niet in. Het openbaar ministerie vindt de handelwijze geen reden voor strafrechtelijke vervolging.

Dit blijkt uit antwoorden van minister Korthals (Justitie) op vragen van de Tweede-Kamerleden Van Oven (PvdA), Halsema (Groen-Links), Dittrich (D66) en De Wit (SP) naar aanleiding van publicaties in deze krant. De advocaten van ouders van overleden Haïtaanse kinderen, die de omstreden schikking van ruim 200.000 euro van het OM met Vos BV aanvechten bij het gerechtshof, reageerden gisteren onthutst.

Al eerder lekte uit dat Vos BV de glycerine, die in 1996 in Haïti in een koortswerende siroop werd verwerkt, zelf had laten testen en dat onderdirecteur J.H.O. de inkoper was. ,,Deze persoon was op de hoogte van de analyseresultaten, maar heeft daarmee niets gedaan, omdat hij naar eigen zeggen niet veranwoordelijk was voor hetgeen vervolgens met de glycerine is gedaan'', aldus de minister.

Het OM meent ook dat de verantwoordelijkheden bij Vos BV waren verdeeld tussen enerzijds inkoop en bemonstering en anderzijds verkoop, zodat de onderdirecteur niet feitelijk leiding zou hebben gegeven ,,aan het totaal van de verboden gedraging''.

Toenmalige medewerkers van Vos BV, die geen van allen door het OM werden gehoord, spraken gisteren dit laatste desgevraagd tegen. Volgens hen hadden verkopers veelvuldig contact met de directie over prijzen en kwaliteiten. Uit interne verslagen van Vos BV, die deze krant kon inzien, bleek bovendien dat de directeur en onderdirecteur, die korte tijd in verzekerde bewaring zat, ook verkopers waren. Voorts gaf de onderdirecteur opdracht de glycerine van de farmaceutische kwalificatie `USP' te voorzien, waardoor deze voor medicijnen kon worden gebruikt zoals in Haïti gebeurde.

Minister Korthals sluit niet uit dat het openbaar ministerie ,,niet over alle bescheiden beschikt, waarover NRC Handelsblad kennelijk de beschikking heeft''.

Advocaat J. van der Wolf uit Soest spreekt van ,,volstrekt onacceptabele'' conclusies. ,,Dan zou iedereen zich altijd aan zijn verantwoordelijkheid kunnen onttrekken. Ieder die in deze handel werkt, weet dat de kwalificatie `USP' inhoudt dat de grondstof aan mensen kan worden toegediend.'' Volgens hem onderstrepen Korthals' antwoorden het belang van zijn verzoek aan het gerechtshof om het hele OM-dossier te kunnen inzien. Volgens zijn Amerikaanse collega D. Mishael maakt het antwoord van de minister juist duidelijk dat de onderdirecteur van Vos BV ,,frauduleus'' handelde. Hij wil het antwoord van Korthals dan ook gebruiken in een in Florida lopende civiele procedure.

De beide advocaten verwerpen ook het door Korthals genoemde argument van het OM dat niet zou vaststaan dat de in Haïti gebruikte glycerine, die een dodelijk anti-vries bevatte, van Vos BV afkomstig was. Het OM verwijst naar een rapport van de Amerikaanse FDA. Volgens de advocaten neemt het FDA-rapport juist twijfel over de herkomst van de glycerine weg. Zo werd bij een Haïtiaans bedrijf in vaten met restanten van de van Vos BV afkomstige glycerine ook nog anti-vries gevonden.