Docenten in hoger onderwijs worden per `vrijspraak' betaald

De oorzaak van de HBO-fraude ligt in het besluit om onderwijsinstellingen af te rekenen per geslaagde student, de outputfinanciering. Hierdoor is een vermenging ontstaan van taken die eigenlijk strikt gescheiden moeten blijven, vindt W. J. van der Linden.

Het is een teken van beschaving dat ons staatsbestel een scheiding kent tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. In de spaarzame gevallen waarin de wetgevende macht zich met de rol van de rechter leek te willen bemoeien, was Nederland te klein. Terecht, want we kunnen Montesquieu niet dankbaar genoeg zijn voor zijn Trias Politica. De economische en sociale bloei van de westerse landen is grotendeels te danken aan de scheiding van deze drie machten.

Van de docenten in het onderwijs wordt niettemin sinds jaar en dag verwacht dat zijzelf de grenzen tussen hun `wetgevende', `uitvoerende' en `rechtsprekende' taken trekken. Zij zijn immers degenen die zak-slaageisen formuleren, die het onderwijs uitvoeren en die beoordelen of studenten aan de eisen hebben voldaan. Het trekken van deze grenzen is een moeilijke balanceeract.

Dat ging nog redelijk toen docenten werkten in kleinere onderwijsinstellingen, met een gemeenschappelijke cultuur waarop ze door elkaar, hun leiding en de samenleving werden aangesproken, met een stabiel aanbod aan studenten, enige rek in de financiering, en onderwijsprogramma's die niet aan hobbyistische wijzigingen blootstonden. Maar de zaak veranderde toen op voorstel van de minister van Onderwijs het systeem van outputfinanciering werd ingevoerd en onderwijsinstellingen voortaan werden afgerekend per geslaagde student.

Ongeveer gelijktijdig legde het ministerie de basis voor een ongekende schaalvergroting in het onderwijs en buitelden de veranderingen in de onderwijsprogramma's over elkaar heen. Daarna ontdekte de top van de nieuwe instellingen tijdens hun managementtrainingen de `markt' al waren de meeste door het aanhoudende proces van schaalvergroting inmiddels monopolist in hun eigen regionale markt geworden. De onderwijsmanagers voerden financieringsmodellen in waarmee ze intern de opleidingen per tentamenbriefje per cursus gingen afrekenen.

Hun docenten, die inmiddels collega's weggesaneerd wisten en de volgende fusie of herorganisatie al weer zagen dreigen, werden daarmee in feite rechters die op provisie werkten en per vrijspraak werden betaald.

Nu er in het HBO mogelijk fraude met studenteninschrijvingen is geconstateerd, huilen de verantwoordelijken voor het onderwijsbeleid krokodillentranen. Het voert te ver om alle consequenties van de outputfinanciering op te sommen, maar enige moeten er vermeld worden.

Allereerst hebben docenten die hun studenten aan elementaire maatschappelijke regels willen houden, zoals het nakomen van afspraken, het steeds moeilijker. Studenten stoppen rustig halverwege met een cursus zonder zich uit te schrijven. Of komen twee weken later een extra practicum opeisen omdat het reguliere rooster niet met hun wintersportplannen overeenkwam. En het aantal verzoeken om extra tentamengelegenheden is niet meer te tellen.

Een beetje student weet inmiddels tot op de komma nauwkeurig hoeveel geld hij waard is. Waarom zou hij zich nog om afspraken bekommeren als de instelling financieel volledig van hem afhankelijk is? De auteur van deze beschouwing heeft zelfs al een promovendus gehad wiens werkgever, nog voordat het proefschrift af was, een financiële vergoeding opeiste. Hij had gehoord dat er in het verdeelmodel van de universiteit een premie per voltooide promotie zat en vond dat er best wat mocht staan tegenover het feit dat hij een werknemer ,,voor een promotie ter beschikking stelde''.

En dan het verschijnsel van de internationale opleidingsvarianten. Het is niet voor niets dat dit onderwerp opduikt in de discussie over mogelijke fraude in het hoger onderwijs. Deze varianten worden onveranderlijk verzorgd door bureau's die volledig afgeschermd zijn van de rest van de instelling, zodat ze ,,efficiënt en marktgericht kunnen werken''. Ze onttrekken zich daardoor aan de reguliere opleidingscommissies, huren docenten in op basis van een individuele cursus, en nemen examens af buiten de reguliere examencommissies om. De studenten betalen veel voor hun diploma, laten onmiddellijk aan hun docenten weten dat ze de titel hard voor hun verdere loopbaan nodig hebben, en arriveren met de datum voor de retourvlucht al op zak. Wat moet een docent als zulke student niet aan de eisen voldoen? Afzien van de inkomsten voor reeds geïnvesteerd werk voor de vakgroep of afdeling? Je ziet ze later toch nooit meer terug.

Tegelijkertijd met het verweer van minister Hermans in de Tweede Kamer verscheen er een bericht in de krant dat laat zien dat het einde nog lang niet in het zicht is. Aan een aantal HBO-opleidingen is de mogelijkheid gegeven om met vouchers te experimenteren. Hun studenten kunnen hiermee, geheel naar eigen inzicht, bij de eigen of een andere onderwijsinstelling cursussen en stages gaan kopen, of zelfs bij een particulier bedrijf of organisatie. In hetzelfde bericht reageerde de voorzitter van het College van Bestuur van een van de deelnemende HBO-instellingen enthousiast. Zijn instelling hoeft nu niet meer te wachten totdat de student de opleiding met een diploma afsluit, maar zal onmiddellijk per cursus betaald gaan worden.

Als deze ontwikkeling zich doorzet, gaan de opleidingen die tot nu toe bij hun interne middelenverdeling een minder directe relatie tussen het aantal geslaagden per cursus en de financiering hebben weten te handhaven, genadeloos voor de bijl. De relatie tussen een student en zijn docenten zal nog vluchtiger worden. De voorwaarden lijken ideaal voor een prisoner's dilemma game, waarin iedere docent denkt dat hij de enige is die het niet zo nauw neemt, maar het totale resultaat desastreus blijkt.

Ook zal een minister die de mogelijkheden van fraude serieus neemt, iedereen moeten gaan controleren die vouchers verzilvert, inclusief particuliere bedrijven en organisaties. Dat lijkt slechts mogelijk op straffe van een omvangrijk en kostbaar controleapparaat en zal dus wel niet gaan gebeuren.

Aan een zekere relatie tussen het aantal studenten en de financiering van het onderwijs valt niet te ontkomen. Maar onderwijspolitici die zonder een `scheiding der machten' zoals deze bijvoorbeeld wel vereist is voor de wettelijk erkende beroepsdiploma's met hun afzonderlijk opleidings- en examenorganisaties, zonder ook enige andere checks and balances in te voeren, het onderwijs een directe outputfinanciering opleggen, en die tegelijkertijd door schaalvergroting en herorganisatie ook nog eens de tentaminerende docenten in hun bestaan bedreigen, zijn onbeschaafd bezig.

Dr. W. J. van der Linden is hoogleraar Onderwijskundige Meetmethoden en Data Analyse aan de Universiteit Twente en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Examens (NVE).