De onvergeeflijkheid van het bestaan

`Laat de eenentwintigste eeuw er een worden van vergeven, maar vergeten mogen wij nooit'. Máxima Zorreguieta schreef deze woorden in het gastenboek van de Hollandsche Schouwburg waar ooit Amsterdamse joden bijeen werden gedreven om vervolgens te worden afgevoerd naar verschillende kampen. De Amsterdamse burgemeester Job Cohen memoreerde deze woorden tijdens de toespraak die hij in de hoedanigheid als ambtenaar van de burgerlijke stand hield bij de voltrekking van het burgerlijk huwelijk van kroonprins Willem-Alexander met de Argentijnse sprookjesprinses. Hij werd er alom voor geprezen. In het laatste Magazine van deze krant, waarin een reportage over Cohen te lezen was, stond vermeld dat de burgemeester door dit citeren van Máxima niet voorbij was gegaan aan het feit dat hij een dochter van een man die de regering van het Videla-regime mede vormde, voor zich had. Tegelijkertijd zou hij met het aanhalen van Máxima's woorden `de angel eruit hebben gehaald'.

Over de lof voor Cohen gaat het hier niet. Maar over de strekking van Máxima's woorden wel. Met haar zinsnede toonde ze zich goed op de hoogte van de clichés waarmee in de Nederlandse samenleving over gruwelijke gebeurtenissen in het verleden wordt gesproken. Wel vergeven, niet vergeten is in dit land een gevleugelde uitspraak bij allerlei gelegenheden. Koningin Beatrix wijdde er haar kersttoespraak van 1998 aan. En sinds het jaar 2000, mede door de paus verheven tot mea culpa-festijn, wordt vergeven tot de deugden van de beschaafde mens gerekend. Maar wat betekent het eigenlijk om te streven naar vergeving, om te hopen dat een eeuw van vergeving aanbreekt? Is vergeving (het pardonneren, kwijtschelden, in genade aannemen volgens de woordenboeken) per definitie een nastrevenswaardig ideaal? Is het mogelijk? Wat zegt het verlangen naar een eeuw van vergeving over het beeld van de geschiedenis van hen die dit zo belangrijk vinden?

Die vragen worden niet alleen behandeld in de theologische literatuur (het opmerkelijke is dat de term in bepaalde toonaangevende naslagwerken op dit gebied niet voorkomt) maar werden ook in al hun ingewikkeldheid gepresenteerd in The sunflower. On the possibilities and limits of forgiveness van Simon Wiesenthal. In dit boek beschrijft Wiesenthal hoe hij als concentratiekampgevangene dwangarbeid in een hospitaal verrichtte. Op een dag wordt hij, zo gaat zijn verhaal, aan het sterfbed van de SS'er Karl geroepen. De jongeman bekent Wiesenthal dat hij een huis met zo'n tweehonderd joden in brand heeft gestoken. Iedereen die probeerde te ontsnappen werd door Karl en de leden van zijn compagnie doodgeschoten. Kon Wiesenthal hem hiervoor vergeving schenken? Dat kon hij niet. Wiesenthal verliet, zo beweerde hij, zwijgend de kamer.

Had hij daar goed aan gedaan? Die vraag bleef hem ook na de oorlog bezighouden. Hij stelde haar aan velen. De vraag van Wiesenthal raakt aan het soort vergeving die in het Cohen-citaat van Máxima verborgen ligt. Het gaat hier namelijk om het vergeven van daden die in het verleden anderen de dood in hebben gejaagd, daden waar jezelf niet of indirect slachtoffer van bent. Is het mogelijk die te vergeven? Kun je voor anderen vergeven? Mag dat?

Als Wiesenthal de vraag aan mij zou hebben gesteld zou ik hebben gezegd dat hij er goed aan heeft gedaan om de kamer te verlaten. Het is niet mogelijk voor een ander te beslissen of de daad tegen hem of haar begaan, vergeving verdient. De geschiedenis is zo verlopen dat de persoon die eventueel vergiffenis zou kunnen schenken er niet meer is. Het is dus vragen om iets onmogelijks en iets onmenselijks. Dat moet niet gehonoreerd worden. Tenzij je vergeving wilt gebruiken en accepteren als mogelijkheid tot, zoals Abel Hertzberg het eens heeft aangeduid, gestileerde wraak. Het vergeven dient dan om de vrager van vergiffenis op de knieën te zien gaan en te horen vragen om iets wat alleen jij hem naar zijn idee kunt geven. Het streven naar een eeuw in het teken van vergeving is het hopen op een eeuw gedomineerd door wraak. Dat klinkt alweer heel wat minder verheven al is het nog zo begrijpelijk.

Het is dus nogal wat om te streven naar een eenentwintigste eeuw van vergeving. Het zwijgen van de doden is een feit waar men mee moet leven (hoe ellendig dat ook is) of zoals in het geval van de beschreven SS'er mee moet worstelen op het sterfbed. Wanneer het gaat om daden uit het verleden, niet tussen individuen die elkaar bij leven nog kunnen vergeven, maar gebeurtenissen die de ander uit het leven hebben gerukt, om collectieve vragen om vergeving, is het niet mogelijk die te honoreren zonder dat er respectloos heen wordt gewalst over mensen die geen stem meer hebben. Dat is dramatisch. Want daarmee moet tegelijkertijd het geloof worden losgelaten dat de geschiedenis een soort inherente ethiek in zich draagt waardoor het mogelijk is om gedane zaken te laten keren, het verleden terug te draaien of om in alle ellendige gebeurtenissen toch een zekere zin te ervaren.

Vergeving is met andere woorden niet, zoals Hannah Arendt tegen beter weten in hoopte, het enige tegengif tegen de onomkeerbaarheid van de geschiedenis. Zeker, het kan wel zo worden aangewend of worden ervaren maar voor de doden is het geen realiteit. Zij zijn voorgoed verdwenen. Streven naar een eeuw van vergeving, hoe lief, begripvol en wijs dat ook klinkt, is het streven naar macht over het verhaal van hen die volgens Elias Canetti ultiem machteloos zijn: de doden. Zij die wegrotten in de krochten van de aarde of op de bodem van de zee. Zo gezien is vergeving een ultieme vorm van lijkenneukerij, een buitengewoon onfrisse daad die op zich weer onvergeeflijk is. Want de doden kunnen niet meer aangeven of de vraag om vergeving gehonoreerd kan worden. Bepalen we dat voor hen dan gaan wij opnieuw aan hen voorbij. Het feit dat zij niet meer bestaan, niet meer kunnen beslissen, wordt dan ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de levenden. Het is niet anders. De mensheid ploetert voort in de onvergeeflijkheid van haar bestaan.