Terug naar een Afghaanse vallei vol mijnen

Afghaanse families keren langzaam terug naar hun huizen in de Shomali-vallei. Maar voor er gewoond en gezaaid kan worden, moet het platteland eerst worden ontdaan van landmijnen.

De hoge lemen muren om het erf van Karabaghi Rabat staan er nog. Maar daarmee is alles ook gezegd. ,,U wilt weten hoe het met mijn huis staat'', vraagt hij enigszins spottend. ,,Dat ligt daar op die auto'', en hij wijst op een oude gammele truck, die boordevol is geladen met matrassen en ander huisraad.

Na vijf jaar ballingschap is Rabat met zijn familie teruggekeerd in het voorvaderlijk huis in het dorp Dashtarabad, zo'n 50 kilometer ten noorden van Kabul. Of beter gezegd: op de plaats van de woning, want de Talibaan hebben het woongedeelte verwoest. Naast de puinhopen bevindt zich op het erf nog slechts wat oud schroot en een armetierig boompje.

Niettemin is het een gelukkig moment. ,,We hadden prachtige herinneringen aan ons dorp'', zegt de voormalige boer Rabat, die de afgelopen jaren als chauffeur in zijn onderhoud voorzag in Kabul. ,Daarom zijn we teruggekomen, al wisten we dat ons huis intussen verwoest was en er landmijnen op ons land kunnen liggen. Maar als God het wil, zal alles weer worden als vroeger.''

De zeer vruchtbare vlakte van Shomali, waartoe Dashtarabad behoort, stond vanouds bekend als de graanschuur van Afghanistan. Bovendien was de streek vermaard om zijn druiven, waarvan de Afghanen overigens – als goede moslims – geen wijn produceerden. Het dichtbevolkte gebied, dat wordt omgeven door kale besneeuwde bergen, was een van de meest welvarende van het land.

Het lot wilde echter dat de frontlinie van elkaar bevechtende legers de afgelopen jaren precies door het Shomali-gebied liep. En niet slechts langs één vaste lijn maar op voortdurend wisselende plaatsen. Ten tijde van de Russische bezetting in de jaren '80 bleef de schade nog beperkt, maar begin jaren '90 werd het ernstiger toen verschillende mujahedeen-facties elkaar te lijf gingen. De genadeklap volgde met de komst van de Talibaan. Die voerden sinds 1996 een vernietigende strijd met de troepen van de Tadzjiekse veldheer Ahmed Shah Massoud, die vanuit de naburige Panjshir-vallei opereerde.

Wie vanuit Kabul naar het noorden rijdt, wordt direct met de droevige gevolgen van al dit geweld geconfronteerd. Zover het oog reikt, strekken zich slechts naargeestige puinhopen en verdorde akkers en wijngaarden uit. Her en der liggen de roestige brokstukken van over de kop geslagen tanks, pantserwagens, jeeps, bussen, containers en ander militair afval.

Naar mensen zoekt men er vrijwel tevergeefs. Die zijn bijna allemaal gevlucht naar Kabul, de Panjshir-vallei of het buurland Pakistan. Landmijnen daarentegen, de onzichtbare sluipmoordenaars van elke oorlog, zijn des te talrijker. En dat is de reden dat de meeste voormalige bewoners vooralsnog huiverig zijn terug te keren.

De Halo Trust, een grote Britse ontmijningsorganisatie, heeft sinds half november 224 anti-personal mines en 48 anti-tankmijnen onschadelijk gemaakt, terwijl er nog eens 159 ontplofbare voorwerpen waaronder vliegtuigbommen en boobytraps werden verwijderd.

Vorige week donderdag nog stuurde een vrachtwagen bij het passeren van een andere truck iets te ver naast de weg en prompt ging er weer een mijn af. De chauffeur had geluk en overleefde het incident. Vooral Massoud en zijn mannen hadden er volgens Gerhard Zank van de Halo Trust een handje van om her en der moorddadige verrassingen te verbergen. Zo ontdekten medewerkers van de Halo Trust pal naast een kruispunt nabij Dashtarabad een onder de grond verstopte vliegtuigbom, die met verschillende landmijnen in de buurt was verbonden.

Verder schrokken de mujahedeen er niet voor terug om zelfs landmijnen in huizen of moskeeën aan te brengen. Een voormalige strijder van Massoud heeft intussen het lef bij de Halo Trust te vragen of ze even snel een vliegtuigbom bij zijn huis uit de weg willen ruimen, die hij daar zelf indertijd heeft helpen aanbrengen.

Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat het van groot belang is voor Afghanistan om de vlakte van Shomali weer overeind te te helpen. Niet alleen kunnen daardoor enkele honderdduizenden mensen weer naar huis terug maar ook kan het land dan na enige tijd weer enigszins zelfstandig in zijn voedselbehoeften voorzien.

Juist daarom zijn de Halo Trust en andere organisaties al sinds de val van de Talibaan in november koortsachtig in de weer om het uitgestrekte gebied zo snel mogelijk mijnvrij te maken. Op het ogenblik heeft de Halo Trust alleen al meer dan duizend mensen aan het werk in Noord- en Centraal-Afghanistan. Maar het zal volgens Zank nog wel een jaar duren voor het gebied echt veilig zal zijn.

Volgende maand, wanneer een nieuwe lichting Afghaanse medewerkers zal zijn opgeleid, schakelt de organisatie zelfs op een nog hogere versnelling. Mede dankzij de steun van de Nederlandse regering zullen dan 1.800 mensen elke dag de gevaarlijkste gebieden met metaaldetectoren en schopjes afkammen op mijnen. Waar mogelijk wordt het werk gedaan door speciale bulldozers, maar in bij voorbeeld kwetsbare wijngaarden kunnen die niet worden ingezet.

Veel inwoners willen hoe dan ook over enkele weken zaaien voor een nieuwe oogst. In het noorden van Afghanistan, waar de Halo Trust eveneens actief is, is de terugkeer van vluchtelingen naar hun land al in volle gang, ook al ligt het er nog vol met mijnen. ,,We hopen dat we de mensen nog even uit het Shomali-gebied kunnen weghouden,'' aldus Zank. ,,Anders zullen er onherroepelijk weer slachtoffers vallen.''

De eerste pioniers zijn inmiddels al aangekomen. Een van hen is Hamid Mohammed, die na tien jaar in Pakistan naar Dashtarabad is teruggereisd. Hij komt informeren of de mannen van de Halo Trust zijn verwoeste huis en land misschien snel van mijnen kunnen ontdoen, want hij wil aan de slag. ,,Zolang de mijnen er niet uit zijn, kan ik niet zaaien en komt mijn familie niet over uit Pakistan'', klaagt hij. Het team van de Halo Trust luistert even naar hem en gaat dan onverstoorbaar door om de nu nog desolate vlakte van Shomali weer geschikt voor bewoning te maken.